Conclusie
1.Overzicht
group relief, die niet optimaal is benut: er had nog minstens USD 873.000 (€ 649.340) méér overgedragen kunnen worden. Bij haar ontbinding had A Plc nog € 109.981.275 aan niet-overgedragen en volgens de Ierse fiscus verder onverrekenbare verliezen staan.
geschilis of de belanghebbende ter zake van de liquidatie van A Plc en A Ltd een liquidatieverlies ad € 202.687.308 in aftrek kan nemen. Volgens de Inspecteur is niet voldaan aan de aftrekvoorwaarden in art. 13d(9)(a) Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) omdat de Ierse
group relief‘enige tegemoetkoming’ in de zin van die bepaling is voor A Plc’s onverrekend gebleven verliezen.
Subsidiairis in geschil of de EU-rechtelijke vestigingsvrijheid Nederland verplicht om het verlies op de liquidatie van A Plc in aanmerking te nemen en zo ja, tot welk bedrag.
Rechtbank Den Haagmeent dat volgens art. 13d(9)(a) Wet Vpb niet ter zake doet dat A Plc verliezen heeft kunnen overdragen onder
group reliefomdat het er bij die bepaling om gaat dat na ontbinding van A Plc geen recht meer bestaat op enige tegemoetkoming voor op dat moment nog onverrekende verliezen. De Rechtbank acht aannemelijk dat de bij A Plc onverrekend gebleven verliezen na haar ontbinding verloren zijn gegaan. Wetshistorische uitleg en uitleg naar doel en strekking leiden volgens de Rechtbank niet tot ander resultaat. De belanghebbende kan haars inziens een liquidatieverlies ad € 202.687.308 nemen.
Hof Den Haagmeent dat de tekst van art. 13d(9)(a) Wet Vpb weliswaar mogelijk enige ruimte voor twijfel laat naar welk tijdstip moet worden beoordeeld of aan de geen-tegemoetkoming-voorwaarde in art. 13d(9)(a) Wet Vpb wordt voldaan, maar gezien het anti-misbruikkarakter van die bepaling moet haar toepassing volgens HR
BNB2019/117 worden toegesneden op voorkoming van het misbruik dat de wetgever wil bestrijden op de wijze die hem daarbij voor ogen heeft gestaan en de tekst van art. 13d(9)(a) Wet Vpb wijst erop dat de vraag of ‘geen recht geldt op enigerlei tegemoetkoming’ moet worden beoordeeld naar de toestand bij liquidatie. Dat strookt met het systeem van de liquidatieverliesregeling, die aanknoopt bij de toestand op het tijdstip waarop vast komt te staan dat de verlies-verrekeningsmogelijkheden bij de geliquideerde deelneming voorgoed verloren gaan. In dat systeem bestaat geen cijfermatige congruentie tussen de verdampende dochterverliezen en het liquidatieverlies dat bij de moeder in aftrek komt. Met de Rechtbank neemt het Hof in aanmerking dat de wetsgeschiedenis geen duidelijke aanwijzingen biedt dat de wetgever een ruimere toepassing van de geen-tegemoetkoming-voorwaarde op het oog had.
in cassatiedat het objectieve bestaan van
group reliefin Ierland impliceert dat voor alle verliezen van A Plc recht op enigerlei tegemoetkoming gold in de zin van art. 13d(9)(a) Wet Vpb. De term ‘enigerlei tegemoetkoming’ sluit volgens hem uit dat de in ‘s Hofs benadering optredende dubbele verliesneming strookt met de bedoeling van de wetgever. Ook op basis van de ratio van de liquidatieverliesregeling moet verliesaftrek zijns inziens achterwege blijven als deelnemingsverliezen – tegen vergoeding - zijn overgedragen aan groepsvennootschappen. Ook uit art. 15i(3) Wet Vpb volgt zijns inziens dat de wetgever dubbele verliesverrekening in strijdt acht met het systeem van de wet. De Staatssecretaris constateert dat als u zijn cassatieberoep gegrond acht, alsnog beoordeeld moet worden of het EU-recht Nederland verplicht om een verlies van A Plc bij de belanghebbende in aanmerking te nemen. Hij verwijst voor zijn standpunt in die kwestie naar het verweerschrift in eerste aanleg van de Inspecteur, die betoogde dat (i) de per-elementbenadering van een hypothetische fiscale eenheid niet geldt omdat de belanghebbende en haar deelneming in verschillende functionele valuta boek hielden; (ii) volgens HvJ
X Holdinghet Ierse verlies niet geïmporteerd hoeft te worden; (iii) niet is voldaan aan het verliesverrekeningsuitputtingscriterium van HvJ
Marks & Spencer II; en (iv) de omvang van een te importeren verlies niet groter kan zijn dan het hypothetische bij de belanghebbende in aanmerking te nemen verlies als A Plc ingezeten zou zijn geweest.
liquidatieverliesregeling geldt,
i.e.een regeling die het mogelijk maakt om bij de voltooiing van de vereffening van het vermogen van een lokale rechtspersoon (nog) niet overgedragen of verrekende verliezen van die rechtspersoon op enigerlei wijze, in welke mate ook, in aanmerking te nemen bij een verbonden rechtspersoon.
BNB2019/117 moet de uitleg van art. 13d(9) daarom worden toegesneden op het misbruik dat de wetgever wilde bestrijden en op de wijze die hem daarbij voor ogen stond. De MvT bij art. 13d(9)(a) Wet Vpb zegt voornamelijk drie dingen over de bedoeling van de wetgever: (i) geen liquidatieverliesaftrek als nog niet verrekende verliezen van het ontbonden lichaam meegaan met diens overgedragen onderneming; (ii) geen liquidatieverliesaftrek als “de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam recht kan doen gelden op enigerlei fiscale tegemoetkoming (soms blijven de compensabele verliezen van de geliquideerde dochter beschikbaar voor nieuwe activiteiten van de moeder)”, zij het dat zo’n verlies mogelijk toch deels in aftrek kan komen op basis van de hardheidsclausule als die tegemoetkoming elders in geen verhouding staat tot het verdampende verlies; en (iii) de term «recht geldt» dient “in objectieve zin te worden opgevat,” hetgeen betekent dat het er om gaat “dat de (buitenlandse) wetgeving een mogelijkheid voor verliesverrekening moet bevatten en het doet er niet toe of er ook feitelijk wel een mogelijkheid tot verrekening is.” Afstand doen van “een recht op verliescompensatie” kan dan ook niet de weg vrijmaken voor liquidatieverliesaftrek.
liquidatieverliesregeling elders, eerder integendeel: kennelijk had hij het oog op
enige‘mogelijkheid voor verliesverrekening’ in de buitenlandse wetgeving c.q. op
enig‘recht op verliescompensatie’ bij enig verbonden lichaam. Onder een dergelijk recht op verliescompensatie valt ook een recht op
group relief, dat immers recht geeft op verliesoverdracht tegen vergoeding aan groepsvennootschappen mét
tax capacity. Zo’n overdracht verkleint of voorkomt toekomstig liquidatieverlies bij de verliesvennootschap.
enigeregeling voor de verliezen van de deelneming die niet bij haar zelf verrekend kunnen worden, hoe beperkt ook, dan neemt Nederland het niet over, behalve wellicht onder de hardheidsclausule. Geldt lokaal géén regeling voor verliezen van deelnemingen die niet bij haar zelf verrekend kunnen worden, dan neemt Nederland het wel over. De parlementaire toelichting dat de term “recht geldt” moet worden opgevat “in objectieve zin”, moet mijns inziens aldus begrepen worden. Dat volgt ook uit de toelichting dat afstand doen van ‘een [enig; PJW] recht op verliescompensatie’ door de dochter niet de weg vrijmaakt voor liquidatieverliesaftrek bij de moeder. Daarmee strookt ook dat de wetgever er expliciet vanuit ging dat alleen de hardheidsclausule nog uitkomst kan bieden als een lokaal geldende regeling (vrijwel) geen soelaas biedt. Daarmee strookt ook dat de wetgever met art. 13d Wet Vpb wilde voorkomen dat tegelijk gebruik gemaakt kan worden van twee regelingen, de lokale en de Nederlandse. En daarmee strookt ook dat het niet voor de hand ligt dat het moederland de nadelen draagt die voortvloeien uit beperkingen die de wetgeving van het dochterland stelt aan verliesoverdracht.
tax capacity. Als het tot liquidatie van een groepsvennootschap zoals A Plc komt, heeft
group reliefhaar liquidatieverlies dus verkleind of haar liquidatie-overschot vergroot met het bedrag aan verliezen dat zij aan andere groepsvennootschappen heeft overgedragen.
group reliefis mijns inziens ‘enigerlei tegemoetkoming’ voor bij A Plc zelf niet-verrekende verliezen zoals bedoeld door de wetgever in art. 13d(9)(a) Wet Vpb.
Marks & Spencer II,
X Holding,
X BV en X NV, en
Bevolavolgt dat het voorbehouden van horizontale verliesverrekening en fiscale eliminatie van intragroepstransacties aan fiscaal onderworpen groepsvennootschappen in beginsel EU-rechtelijk gerechtvaardigd is, maar dat als in binnenlandse gevallen ‘definitieve’ dochterverliezen naar de moeder gaan, dat in grensoverschrijdende gevallen in beginsel ook moet gebeuren. Art. 13d(9)(a) Wet Vpb maakt weliswaar geen onderscheid naar gelang de geliquideerde dochter in het binnenland of in het buitenland is gevestigd, maar uit de HvJ-rechtspraak blijkt dat dat Hof in de combinatie van die bepaling en de alleen binnenslands beschikbare mogelijkheden van art. 15 Wet Pro Vpb een discriminatie ziet, die weliswaar in de regel gerechtvaardigd kan worden uit evenwichtigheidsoogpunt en misbruikbestrijdingsnoodzaak, maar de vestigingsvrijheid onevenredig beperkt als verliezen van een niet-ingezeten dochter ‘definitief’ niet meer lokaal verrekend kunnen worden. In dat geval moeten zij op dezelfde wijze door het moederland in aanmerking worden genomen als vergelijkbare definitieve binnenlandse dochterverliezen. De EU-rechtelijke vraag is dan wat ‘definitieve’ verliezen zijn in de zin die het HvJ daaraan geeft en of de verliezen van A Plc ‘definitief’ zijn in die zin.
Memira Holdingvolgt dat een dochterverlies niet als ‘definitief’ kan worden aangemerkt op de grond dat de wetgeving van de dochterstaat verliesoverdracht uitsluit. Het arrest C-322/11,
K., zegt expliciet dat de woonstaat niet verplicht is om verliescompensatie te bieden die de bronstaat zelf niet biedt, ook niet als de woonstaat die verliescompensatie in een vergelijkbaar intern woonstaatgeval wél zou bieden: van Finland kon niet gevraagd worden de negatieve gevolgen te dragen van de verliesverrekeningsuitsluiting die Frankrijk had vastgesteld. Als er in de bronstaat helemaal géén verliesregeling is, kan die volgens het HvJ ook niet uitgeput worden in de zin van
Marks & Spencer IIen hoeft de woonstaat het dus niet over te nemen. Ik merk dat de Nederlandse regeling van art. 13d(9)(thans 14)(a) Wet Vpb precies andersom werkt.
Commissie/VKen
Krankenheim Ruhesitzvolgt dat de moederstaat geen verliesoverdracht mogelijk hoeft te maken die de dochterstaat zelf rechtens uitsluit. Die arresten gingen weliswaar over in de dochter/v.i.-staat ontbrekende
verticaleverliesverrekeningsmogelijkheden bij de lokale dochter/v.i. zelf, maar niet valt in te zien dat het anders zou zijn bij lokale beperkingen op
horizontaleverliesoverbrenging binnen het lokale deel van het concern waartoe die dochter/v.i. behoort.
wetgevinguitsluit dat A Plc’s ook na
group reliefnog onverrekende verliezen na haar ontbinding nog gebruikt worden of dat deze verklaring ziet op
feitelijke omstandigheden(zoals eeuwig onvoldoende winst elders in de lokale groep) die maken dat een in abstracto wel bestaand recht op verliesoverbrenging nooit meer, door niemand, benut kan worden. Alleen in het laatste geval is de moederstaat verplicht om dat definitieve verlies te vergelden op dezelfde wijze als een vergelijkbaar binnenlands dochterverlies vergolden zou worden. Nederland is mijns inziens EU-rechtelijk daarom hoe dan ook niet verplicht om het verlies ad USD 873.000 (€ 649.340) te verrekenen dat A Plc in Ierland had kunnen overdragen maar niet heeft overgedragen.
group-vennootschappen voortbestaan die in de toekomst winst zouden kunnen maken; in dat geval is de onmogelijkheid van gebruik van A Plc’s verliezen immers een gevolg van de Ierse beperkende regel dat nog niet overgebrachte verliezen van A Plc verdampen bij liquidatie, óók als er in Ierland nog wel een of meer
group-vennootschappen voortbestaan die in de toekomst winst kunnen maken. De bewijslast ligt op dat punt bij de belanghebbende.
A Oyvan geval tot geval worden beoordeeld, met als randvoorwaarde dat een grensoverschrijdende fusie niet ongunstiger mag worden behandeld dan een binnenlandse fusie. Ook voor die vraag moet de zaak mijns inziens verwezen worden naar de feitenrechter.
Group reliefis immers fundamenteel anders dan een fiscale-eenheidsregime.
Group reliefhoudt slechts in facultatieve
arm’s lengthoverdracht, tegen vergoeding van de fiscale waarde, van een verlies aan een andere groepsvennootschap. In een fiscale-eenheidsregime zijn er geen separate dochterresultaten en moederresultaten. Wij hebben aldus te maken met een dispariteit: het vergelijkbare binnenlandgeval bestaat niet. De vestigingsvrijheid verplicht lidstaten niet om dispariteiten op te heffen. In het Nederlandse stelsel is de dochter ofwel gevoegd, ofwel niet gevoegd. Is zij niet gevoegd, dan geldt de deelnemingsvrijstelling, óók voor verliezen, die niet overgedragen kunnen worden, anders dus dan onder
group relief. Is de dochter wél gevoegd, dan zijn al haar resultaten al steeds, elk jaar, gesaldeerd met die van de andere voegelingen en kan zich geen liquidatieverlies voordoen omdat een niet-bestaande deelneming fiscaal niet zichtbaar geliquideerd kan worden, eveneens anders dan onder
group relief. De vraag hoe het in het niet-bestaande vergelijkbare binnenlandgeval gelopen zou zijn met A Plc’s verliezen, valt dus niet te beantwoorden.
Marks & Spencer IIis gebaseerd op de ‘altijd-ergens’-gedachte en de arresten
Memira Holding, Commissie-VKen
K. op de gedachte dat de moederstaat niet de nadelige gevolgen van verliescompensatiebeperkingen in de verliesbronstaat hoeft te compenseren.
Memira Holdingen
Commissie-VKnoopt die ratio er mijns inziens dan toe om uit te gaan van het volgens Ierse maatstaven niet meer compensabele verlies van A Plc, in elk geval als bovengrens. Uit
Marks & Spencer IIblijken immers de bedoelingen (i) dat zoveel mogelijk de vergelijkbare binnenlandse situatie wordt benaderd (en aannemelijk is dat in een binnenlandgeval het resterende verlies op de een of andere manier benut zou hebben kunnen worden, ofwel binnen een fiscale eenheid, ofwel bij liquidatie van de niet-gevoegde deelneming), (ii) dat
double dips, misbruik en onevenwichtige verdeling van fiscale jurisdictie worden voorkomen, hetgeen strookt met de ratio van art. 13d(9)(a) Wet Vpb, en (iii) dat een proportioneel resultaat wordt bereikt in de verhouding tussen bedoelingen (i) en (ii).
stand alonenaar Nederlandse maatstaven zouden zijn berekend en € 115.592.673 (plus € 649.340) aan verliezen door haar al zou zijn overgedragen aan anderen.
group relief-geval, maar
alsmet een binnenlandgeval vergeleken moet worden, lijkt een niet-voegingsgeval het minst onvergelijkbaar met
group relief(die immers geen enkele voeging inhoudt), mits rekening wordt gehouden met de effecten van
group reliefdie binnenslands in een
stand alonegeval niet beschikbaar zijn. Volgens de feitenrechters is naar Nederlandse maatstaven een liquidatieverlies aftrekbaar ad € 202.687.308. Daaruit wordt de in Ierland al door
group reliefgenoten verliescompensatie geëlimineerd om te voorkomen dat
double dips, misbruik of onevenwichtige heffingsverdeling ontstaan. Van de genoemde € 202.687.308 wordt dus de € 115.592.673 (plus € 649.340) afgetrokken die A Plc elders in de interne markt al heeft gebruikt of had kunnen gebruiken. Aldus wordt het verlies in uitgangspunt naar Nederlandse maatstaven berekend en het evenwichtige en proportionele resultaat bereikt dat het HvJ kennelijk voor ogen stond in
Marks & Spencer IIvoor ‘definitieve verliezen.
2.Feiten, geschil en feitenrechters
De feiten en het geschil
spreadgenereren naar dienstverlening tegen vergoeding. In dat kader werd op 28 maart 2012 besloten tot liquidatie van A Plc. Op 22 maart 2013 werd dier vermogen vereffend en op 28 juni 2013 is zij uitgeschreven bij de Ierse Kamer van Koophandel. Ook A Ltd is geliquideerd, kennelijk eveneens in 2013.
group reliefminstens € 115.592.673 verlies tegen vergoeding overgedragen aan Ierse groepsvennootschappen, maar heeft die
reliefkennelijk niet optimaal benut, want volgens het Hof (r.o. 2.4.3) is een bedrag van minstens USD 873.000 (€ 649.340) aan verlies niet overgedragen dat wel overgedragen hadden kunnen worden.
group reliefin de weg staat aan aftrek van een verlies op de liquidatie van A Plc en A Ltd ad € 202.687.302. Zo ja, dan is subsidiair in geschil of EU-recht de belanghebbende recht geeft op aftrek van het bij A Plc ‘definitieve’ verlies en is ook de omvang daarvan in geschil.
group reliefheeft genoten, doet volgens de Rechtbank niet ter zake, nu het erom gaat of
naontbinding nog recht bestaat op enige tegemoetkoming; dat is niet het geval, nu aannemelijk is dat de tijdens het bestaan van A Plc niet verrekende verliezen na haar ontbinding verloren zijn gegaan.
BNB2019/117, de toepassing ervan worden toegesneden op het misbruik dat de wetgever wilde bestrijden, op de wijze die hem daarbij voor ogen stond. De tekst van art. 13d(9)( a) Wet Vpb wijst er volgens het Hof op dat de vraag of ‘geen recht geldt op enigerlei tegemoetkoming’ moet worden beantwoord naar de toestand ten tijde van de liquidatie. Dat betekent dat aftrek van een liquidatieverlies alleen kan worden geweigerd als recht bestaat op een tegemoetkoming voor de verliezen die bij de voltooiing van de vereffening van het vermogen van het ontbonden lichaam onverrekend blijven. Het Hof verwerpt de lezing van de wettekst door de Inspecteur als volgt:
3.Het geding in cassatie
alleverliezen onverrekend zijn gebleven, nu A Plc (bijna de helft van) haar onverrekend gebleven verliezen vóór haar liquidatie onder de Ierse
group reliefheeft overgedragen aan andere groepsvennootschappen. Daarmee heeft de belanghebbende (bedoeld zal zijn: A Plc) volgens de Staatssecretaris een substantiële tegemoetkoming ontvangen en staat volgens hem vast dat voor alle verliezen van A Plc een recht op enigerlei tegemoetkoming bestond, zij het dat dat recht niet volledig kon worden benut omdat de andere groepsvennootschappen onvoldoende winst hadden gemaakt. Volgens de Staatssecretaris bestond in zoverre voor alle verliezen een recht als bedoeld in art. 13d(9)(a) Wet Vpb.
X Holdingdat verlies 2013 niet in aftrek kan komen en (iii) de regel van HvJ
Marks & Spencer IIvoor definitieve verliezen in casu niet aan de orde is. Meer subsidiair – als de Rechtbank zou menen dat de
Marks & Spencerregel voor definitieve verliezen wel aan de orde zou komen – stelde de Inspecteur dat niet is voldaan aan de eis dat alle verliesbenuttingsmogelijkheden in Ierland zijn uitgeput en dat de belanghebbende het tegendeel niet heeft aangetoond. Ten slotte betoogde de Inspecteur, zich beroepende op het HvJ-arrest
A Oy, dat als een verlies in aanmerking moet worden genomen, de omvang ervan niet hoger kan zijn dan het bij de belanghebbende in aanmerking te nemen verlies in het hypothetische geval waarin A Plc een ingezeten dochter zou zijn en dat verlies naar Nederlandse maatstaven zou zijn berekend. [7]
verweerstelt de belanghebbende dat taalkundig art. 13d(9)(a) Wet Vpb niet anders kan worden gelezen dan dat op het beoordelingstijdstip - volgens haar de voltooiing van de vereffening - geen recht meer mag bestaan op verliesverrekening. De tegenwoordige tijd van de term ‘geldt’ impliceert een op dat moment nog bestaand recht op verliesverrekening, en de woorden ‘onverrekend zijn gebleven’ duiden op verliezen die op dat moment nog niet zijn verrekend. Op basis van deze duidelijke tekst heeft zij volgens haar recht op liquidatieverliesaftrek. Het wettelijke systeem, zoals bevestigd door HR
BNB1994/11, is dat geen rechtstreeks verband bestaat tussen de omvang van het bij de deelneming onverrekend blijvende verlies en het bij de moeder in aanmerking te nemen liquidatieverlies op de deelneming. Uit de MvT bij het Wetsvoorstel ‘Herziening van de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting’ (zie 4.8 hieronder) blijkt dat de term ‘enigerlei tegemoetkoming’ ziet op verliesbenutting ná liquidatie. De dubbele verliesneming die zich in casu voordoet, acht de belanghebbende niet in strijd met de bedoeling van de wetgever, die misbruik wilde bestrijden van ná liquidatie van de dochter nog verrekenbare verliezen. De belanghebbende is het eens met ’s Hofs oordeel dat bij de uitleg van art. 13d(9)(a) Wet Vpb geen betekenis toekomst aan de tekst en ratio van het posterieure art. 15i Wet Vpb.
Het primaire geschil: liquidatieverliesaftrek op basis van intern Nederlands recht?
ne bis in idem) om de bij de dochter niet meer verrekenbare verliezen over te brengen naar moeder om ze daar ondanks dochter’s verscheiden toch éénmaal in aftrek te kunnen brengen. [8] Art. 13d(1) Wet Vpb bepaalt daarom dat de deelnemingsvrijstelling niet wordt toegepast op een liquidatieverlies op een deelneming (tekst 2012):
group reliefkunnen worden overgedragen aan een ander lichaam, zodat het bestaan van
group reliefliquidatieverliesaftrek uitsluit: [9]
ne bis in idembeginsel ter zake van zowel winsten als verliezen van de deelneming: [16]
BNB1994/11 [18] betrof een geschil over een liquidatieverlies geleden vóór de in 4.8 genoemde herziening van de deelnemingsvrijstelling in 1990, dus geleden in een jaar waarin het in 4.3 hierboven geciteerde art. 13d(9)(a) Wet Vpb nog niet bestond. Het toen nog geldende art. 13(5) Wet Vpb zonderde verlies op een deelneming dat tot uitdrukking komt na ontbinding van die deelneming uit van de deelnemingsvrijstelling. In geschil was of de belanghebbende een liquidatieverlies op een Amerikaanse deelneming kon aftrekken hoewel de onderneming van de ontbonden deelneming vóór dier ontbinding was overgedragen en werd voortgezet binnen het concern, waarbij de voortzetter in de gelegenheid was om de door de ontbonden deelneming geleden verliezen te verrekenen. Uit dit arrest blijkt dat art. 13d(9)(a) Wet Vpb niet voor niets werd ingevoerd. U verwierp het beroep van de Staatssecretaris tegen de voor de belanghebbende gunstige Hofuitspraak:
BNB2019/117 [19] betrof de vraag naar welk tijdstip moet worden beoordeeld of is voldaan aan de aftrekvoorwaarde dat de onderneming van de ontbonden deelneming niet wordt voortgezet binnen concern (art. 13d(14)(b) Wet Vpb; destijds lid (9)(b)). De belanghebbende had een deelneming I die in 2002 een deel van haar bedrijf overdroeg aan groepsvennootschap K. Eind 2003 verkocht de groep alle aandelen K met verlies aan een derde. In 2004 begon de liquidatie van I, die in 2010 werd voltooid. In geschil was of belanghebbendes verbondenheid met K in 2002, toen K een deel van I’s onderneming overnam, er ingevolge art. 13d(14)(b)(2e) (destijds lid 9) aan in de weg stond dat de belanghebbende in 2010 een verlies op de liquidatie van I zou nemen. U overwoog op het cassatieberoep van de Staatssecretaris:
BNB1986/282 [20] betrof een geschil over de aftrek van een verlies op de liquidatie van een fiscaal gevoegde dochtervennootschap. U overwoog:
BNB2011/185. [21]
group relief. Van de Streek [22] acht dat standpunt in strijd met de tekst en de strekking van art. 13d(thans 14)(a) Wet Vpb:
BNB2017/142 bij het Besluit van de Staatssecretaris) daarentegen meent dat het standpunt van de Staatssecretaris op basis van de wettekst verdedigd kan worden, maar dat het EU-recht belanghebbende moedervennootschappen zal kunnen redden:
NTFR2017/60 deelt de analyse van De Vries: het gaat haars inziens om een alles-of-niets-benadering en alleen EU-recht kan de belastingplichtige nog redden als in de dochterstaat
group reliefbestaat maar die niet toereikend is:
5.Beoordeling van het cassatieberoep
liquidatieverliesregeling bestaat,
i.e.een regeling die het mogelijk maakt om bij de voltooiing van de vereffening van het vermogen van een lokale rechtspersoon (nog) niet overgedragen of verrekende verliezen van die rechtspersoon op enigerlei wijze, in welke mate ook, in aanmerking te nemen bij een verbonden rechtspersoon.
BNB2019/117 (zie 4.13 hierboven) moet de uitleg van art. 13d(9) daarom worden toegesneden op het misbruik dat de wetgever wilde bestrijden en op de wijze die hem daarbij voor ogen stond. De MvT bij art. 13d(9)(a) Wet Vpb zegt drie dingen over de bedoeling van de (mede)wetgever (zie 4.8 hierboven): (i) geen liquidatieverliesaftrek als nog niet verrekende compensabele verliezen van het ontbonden lichaam meegaan met diens overgedragen onderneming; (ii) geen liquidatieverliesaftrek als “de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam recht kan doen gelden op enigerlei fiscale tegemoetkoming (soms blijven de compensabele verliezen van de geliquideerde dochter beschikbaar voor nieuwe activiteiten van de moeder)”, zij het dat zo’n verlies mogelijk toch deels in aftrek kan komen op basis van de hardheidsclausule als die tegemoetkoming elders in geen verhouding staat tot het verdampende verlies; en (iii) de term «recht geldt» dient “in objectieve zin te worden opgevat,” hetgeen betekent dat het er om gaat “dat de (buitenlandse) wetgeving een mogelijkheid voor verliesverrekening moet bevatten en het doet er niet toe of er ook feitelijk wel een mogelijkheid tot verrekening is.” Afstand doen van “een recht op verliescompensatie” kan dan ook niet de weg vrijmaken voor liquidatieverliesaftrek.
liquidatieverliesregeling elders, eerder integendeel: volgens deze toelichting had de (mede)wetgever het oog op
enige‘mogelijkheid voor verliesverrekening’ in de buitenlandse wetgeving c.q. om
enig‘recht op verliescompensatie’ bij enig met de belanghebbende verbonden lichaam. Het lijkt mij dat onder een dergelijk recht op verliescompensatie onmiskenbaar ook een recht op
group reliefvalt, dat immers recht geeft op verliesoverdracht, tegen vergoeding, aan andere groepsvennootschappen, welke overdracht tegen vergoeding uit de aard der zaken een toekomstig liquidatieverlies van de verliesvennootschap verkleint of voorkomt.
enigeregeling voor de verliezen van de deelneming die niet bij haar zelf verrekend kunnen worden, hoe beperkt ook, dan neemt Nederland het niet over, behalve mogelijk (deels) onder de hardheidsclausule. Geldt elders géén regeling voor de verliezen van de deelneming die niet bij haar zelf verrekend worden, dan neemt Nederland het wel over. De parlementaire toelichting dat de term “recht geldt” moet worden opgevat “in objectieve zin”, betekent mijns inziens dat als de (buitenlandse) wetgeving
enigemogelijkheid bevat voor verrekening van verliezen die bij de dochter zelf niet verrekend kunnen worden, Nederland niet inspringt, ongeacht of die regeling feitelijk tot een compensatiemogelijkheid leidt. Dat volgt ook uit de parlementaire toelichting dat afstand doen van ‘een recht op verliescompensatie’ door de dochter niet de weg vrijmaakt voor liquidatieverliesaftrek bij de moeder. Daarmee strookt ook dat de wetgever er expliciet van uitging dat alleen de hardheidsclausule nog uitkomst kan bieden als een lokaal geldende regeling weinig of geen soelaas biedt. Daarmee strookt ook dat de wetgever met art. 13d(9)(a) Wet Vpb wil voorkomen dat tegelijk gebruik gemaakt kan worden van twee regelingen, de lokale en de Nederlandse. En daarmee strookt ook dat het niet voor de hand ligt dat het moederland ten koste van zijn belastinggrondslag de beperkingen opheft die het dochterland wettelijk wenst te stellen aan de verrekening of overdracht van dochterverliezen. Inhoudelijk minder logisch is dat als het dochterland géén (enkele) tegemoetkoming, Nederland het wél overneemt (daartoe verplicht ook het EU-recht niet; zie onderdeel 6 hieronder), maar dat wordt denkelijk verklaard door uitvoerbaarheidslogica: voorkomen moet worden dat de Nederlandse fiscus zich moet verdiepen in ondoordringbare buitenlandse regelingen en feitencomplexen en dan is alleen een wel/niet-criterium uitvoerbaar.
tax capacityhebben. Als het tot liquidatie van een groepsvennootschap zoals A Plc komt, heeft
group reliefhaar liquidatieverlies dus verkleind - of haar liquidatie-overschot vergroot - met het verliesbedrag dat zij tegen vergoeding aan andere groepsvennootschappen heeft overgedragen, dan wel had
group reliefhaar liquidatieverlies
kunnenverkleinen met het verliesbedrag dat zij had kunnen overdragen maar om welke reden ook feitelijk niet heeft (kunnen) over(ge)dragen, zoals in casu kennelijk een bedrag van minstens USD 873.000 (€ 649.340) aan verliezen van A Plc.
group reliefop de verlieshuishouding van een buitenlandse dochter. Een zelf opgerichte buitenlandse dochter maakt in jaar 1 een verlies ad 200, draait daarna enige jaren quitte, maakt in jaar 5 een winst ad 400 en in jaar 6 een verlies ad 500, waarna zij per einde jaar 6 wordt geliquideerd. Per saldo heeft deze dochter aldus een verlies ad 300 geleden. In het desbetreffende buitenland is een liquidatieverlies niet aftrekbaar of overdraagbaar en kunnen verliezen niet meegegeven worden bij overdracht van de onderneming van een vennootschap. Situatie 1: de 200 verlies in jaar 1 is onder
group reliefovergedragen aan lokale groepsvennootschappen tegen vergoeding van de fiscale waarde van 200 verliesaftrek en aan het einde van jaar 6 bedraagt het verliessaldo dus nog 100 (400 – 500). Situatie 2: de dochter had geen mogelijkheden voor verliesoverdracht, heeft (dus) geen vergoeding ontvangen en heeft aan het einde van jaar 6 dus een verliessaldo 300 (-200 + 400 – 500). Bij
group reliefresteert aldus een onverrekenbaar liquidatieverlies ad 100; bij ontbreken van
group reliefeen onverrekenbaar liquidatieverlies ad 300. Als het later tot liquidatie komt, blijkt
group reliefin de achteruitkijkspiegel (na liquidatie) dus het effect te hebben gehad van een tegemoetkoming die dochter’s liquidatieverlies met 200 beperkte en een vergoeding opleverde voor verliesoverdracht.
groupis, dus als dochter de enige groepsvennootschap in die jurisdictie is en er evenmin een vaste inrichting van een andere groepsvennootschap in die jurisdictie wordt onderhouden, er mijns inziens geen ‘tegemoetkoming geldt’ in de zin van art. 13d(9)(a) Wet Vpb omdat
group reliefper definitie niet geldt voor een
stand alonebelastingplichtige.
group reliefis mijns inziens ‘enigerlei tegemoetkoming’ voor bij A Plc zelf niet-verrekende verliezen zoals door de wetgever in art. 13d(9)(a) Wet Vpb bedoeld.
6.De vestigingsvrijheid
X BV en Y NV(zie 6.5 hieronder) volgt volgens haar dat de grensoverschrijdende en de binnenlandse situatie objectief vergelijkbaar zijn en dat het verschil in behandeling dus rechtvaardiging behoeft. Zij meent op grond van HvJ
Marks & Spencer II(zie 6.2 hieronder), dat er weliswaar een rechtvaardiging bestaat (voorkoming van misbruik en
double dipsen evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen lidstaten), maar dat die rechtvaardiging bij definitieve verliezen, zoals in casu, niet opgaat, althans aftrekweigering bij definitieve verliezen een disproportioneel middel is tot die doelen. Zij verzoekt niet om een grensoverschrijdende fiscale eenheid, maar wenst wel het voordeel te genieten dat een fiscale eenheid in de binnenlandsituatie zou meebrengen, nl. uitschakeling van art. 13d(9)(a) Wet Vpb en dus verrekening van A Plc’s verliezen met haar binnenlandse winsten voor zover wordt voldaan aan de voorwaarde van
Marks en Spencer IIdat A Plc’s verliezen elders niet meer benut zullen kunnen worden, hetgeen haars inziens het geval is.
Marks & Spencer II [43] betrof een Brits warenhuisconcern dat met beroep op de EU-vestigingsvrijheid verliezen van geliquideerde of verkochte, niet in het VK onderworpen EU-dochters wilde verrekenen met winsten van in het VK ingezeten concernvennootschappen alsof het om ingezeten dochters zou gaan; dit omdat een Britse groep met ingezeten dochters wél in aanmerking zou komen voor de Britse
group relief. Het VK weigerde. Het HvJ achtte niet-onderworpen concernvennootschappen – mijns inziens ten onrechte – fiscaal objectief vergelijkbaar met onderworpen concernvennootschappen en zag daarom in de Britse weigering van verliesimport een discriminatie tegen buitenlandse secundaire vestiging, maar zag daarvoor ook rechtvaardigingen (voorkoming van misbruik en
double dipsen waarborging van evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten),
behalvevoor zover het ging om buitenlandse-dochterverliezen die in de dochterstaat nooit meer verrekend zouden kunnen worden als gevolg van liquidatie. In zoverre verplichtte het HvJ de moederstaat – mijns inziens ten onrechte – verliezen te importeren die geen verband hielden met de economie, het territoir of de fiscale jurisdictie van die moederstaat:
Marks & Spencer IItussen partijen geen geschil:
A Oy.
X Holding [44] betrof een Nederlandse vennootschap en haar 100% Belgische dochter die hadden verzocht om een fiscale eenheid ex art. 15 Wet Pro Vpb, hetgeen de inspecteur had geweigerd. Het HvJ achtte een ingezeten moeder die een ingezeten dochter wil voegen, op basis van het doel van de regeling (met name horizontale resultaatsaldering en fiscale uitschakeling van onderlinge transacties) objectief vergelijkbaar met een ingezeten moeder die een niet-ingezeten dochter wil voegen “voor zover beide in aanmerking willen komen voor de voordelen van deze regeling.” Het Hof zag daarom in de uitsluiting van niet-ingezeten, niet-onderworpen dochters – mijns inziens ten onrechte – een discriminatie, maar hij zag daarvoor ook een rechtvaardiging in de niet-onderworpenheid van niet-ingezeten dochters, daarmee mijns inziens ten onrechte een objectief verschil (niet-onderworpenheid) presenterende als – alsdan overbodige - rechtvaardiging voor een - niet-bestaande - discriminatie:
X BV en X NV [45] kwam het HvJ daar deels op terug en begon hij elementen uit het fiscale-eenheidsregime af te zonderen. De zaken betroffen een renteaftrekweigering ex art. 10a Wet Vpb (X BV), respectievelijk een vrijgesteld valutaverlies op een deelneming (X NV), welke nadelen volgens de belanghebbenden binnenslands vermeden konden worden door middel van een fiscale eenheid met de dochter.
X BVbetrof een kapitaalstorting in een Italiaanse dochter gefinancierd met een lening van een Zweedse moeder waarop X BV de rente wilde aftrekken. Die storting was een besmette handeling ex art. 10a Wet Vpb. X BV stelde dat wél renteaftrek zou zijn verleend als zij haar Italiaanse dochter net als een binnenlandse dochter had kunnen opnemen in een fiscale eenheid.
X NVbetrof een ex art. 13 Wet Pro Vpb objectief vrijgesteld valutaverlies op een buitenlandse deelneming dat volgens X NV wel aftrekbaar zou zijn geweest als zij die deelneming net als een binnenlandse deelneming had kunnen voegen. Het HvJ oordeelde in de zaak
X NVdat de vestigingsvrijheid een lidstaat niet verplicht om zijn heffingsjurisdictie asymmetrisch uit te oefenen om negatieve resultaten in aftrek toe te laten op verrichtingen waarop positieve resultaten vrijgesteld zijn. Ik merk op dat daardoor de vraag rijst waarom het HvJ in de eerdere zaak
Bosal [46] de lidstaten wél dwong tot asymmetrisch toelaten van verlies op verrichtingen waarop positieve resultaten vrijgesteld zijn, aldus een
mismatchcreërende (het
Bosal-gat) waarvan belastingadviseurs en sommige multinationals uiteraard oneigenlijk gebruik proberen te maken, bijvoorbeeld in de
Crédit Suisse-zaken. [47]
X BVdaarentegen achtte het HvJ de renteaftrekweigering wél discriminerend omdat zij binnenslands vermeden kon worden met een fiscale eenheid (die art. 10a Wet Vpb uitschakelt), welk onderscheid hij niet gerechtvaardigd achtte. Hij ging daarbij voorbij aan het gegeven dat het in art. 10a niet ziet op
business as usualrente (die inderdaad steeds gewoon aftrekbaar is), maar op antifiscaal kunstmatig gecreëerde rente in zeer specifieke, door de wet als verdacht aangewezen omstandigheden die in geheel binnenlandse gevallen (aftrek en belastbaarheid in één jurisdictie: fiscale coherentie) nauwelijks antifiscaal kunnen uitpakken. Hij ging aldus mijns inziens ten onrechte voorbij aan de misbruikcontext van het berechte geval en concentreerde zich nog slechts op het fiscale-eenheidsregime alsof het niet om omgeleide antifiscale maar om zakelijke, ondernemings-doelen dienende rentelasten ging. Kennelijk dacht hij dat Nederland binnenslands niet het misbruik bestreed dat hij grensoverschrijdend wél bestreed. Dat is een misverstand omdat het bestreden grensoverschrijdende misbruik zich binnenslands niet kan voordoen, juist omdat aftrek en belastbaarheid dan in één fiscale jurisdictie vallen. In de zaak
SGI [48] liet hij uitsluitend in de grensoverschrijdende situatie werkzame Belgische
arm’s length-wetgeving dan ook terecht wél toe. De beslissing in de zaak
X BVlijkt verder ook innerlijk tegenstrijdig doordat het HvJ tot de wezenlijke aspecten van fiscale consolidatie wél rekende het ‘fiscaal neutraal houden’ (uitschakelen) van intragroepstransacties, maar de litigieuze financiële intragroepstransacties (leningen en rentebetalingen) daarvan zonder verklaring uitzonderde. Dat rente op zakelijke leningen normaal gesproken gewoon aftrekbaar is, geldt uiteraard evenzeer voor alle andere zakelijke transactiekosten, zoals de betaling voor inkoop van goederen, huur van onroerend goed, royalties voor licenties en alle andere transactiekosten en -opbrengsten die binnen een fiscale eenheid nu juist per definitie evenzeer worden uitgeschakeld. Maar we moeten leven met dit arrest:
BNB2018/92 op:
X BV en X NVgaan overigens niet over definitieve verliezen van geliquideerde deelnemingen. Zij zijn slechts van belang voor de vraag –
alshet in casu om ‘definitieve’ verliezen gaat – welk geval het vergelijkbare binnenlandgeval is en of in dat vergelijkbare binnenlandgeval die verliezen fiscaal vergolden zouden zijn bij de belanghebbende.
Bevola [51] kan beschouwd worden als
Marks & Spencer IIvoor vaste inrichtingen. De zaak betrof een Deense vennootschap met een verlieslatende vaste inrichting in Finland die in 2009 werd gesloten. Het resterende v.i.-verlies kon na de sluiting niet meer in Finland worden verrekend. Het Deense hoofdhuis wilde het resterende Finse v.i-verlies verrekenen met zijn Deense winst. De Deense fiscus wees dat af omdat de belastingplichtige niet had gekozen voor een wereldwijde gezamenlijke aanslag (met voorkoming van dubbele belasting) en in dat geval objectvrijstelling de
default modewas. Het HvJ achtte de niet in Denemarken onderworpen Finse v.i. objectief vergelijkbaar met een wél in Denemarken onderworpen binnenlands filiaal, zulks in afwijking van zijn eerdere arrest in de zaak
Timac Agro, [52] waarin hij een niet-onderworpen buitenlands filiaal (objectvrijstelling) terecht objectief onvergelijkbaar achtte met een wél onderworpen binnenlands filiaal. Hij achtte vervolgens de Deense verliesimportweigering op zichzelf gerechtvaardigd, net als in
Marks & Spencer II, maar achtte het onevenredig om ook definitief onverrekenbare buitenlandse v.i.-verliezen van aftrek in de hoofdhuisstaat uit te sluiten, net zoals hij importweigering van definitief verloren dochterverliezen onevenredig achtte in
Marks & Spencer II:
W. AG, [53] de
Amurta [54] -benadering van het Hof bij discriminatieneutralisering (een discriminerende bronheffing in de ene Staat kan geneutraliseerd worden door verrekening in de andere Staat, mits die verrekening niet gebaseerd is op een unilaterale regeling, maar op een bilateraal verdrag) ook wil toepassen op de definitieve verliezen van een vaste inrichting: hij acht unilaterale objectvrijstelling van v.i.-resultaten door de hoofdhuisstaat niet voldoende om te ontsnappen aan de
Bevola-verplichting om definitieve v.i.-verliezen te importeren, maar acht daartoe een bij bilateraal belastingverdrag overeengekomen objectvrijstelling wél voldoende.
Marks & Spencer II,
X Holding,
X BV en X NV, en
Bevolain samenhang beschouwd volgt dat EU-rechtelijk het voorbehouden van horizontale verliesverrekening en fiscale eliminatie van intragroeptransacties aan fiscaal onderworpen groepsvennootschappen in beginsel is gerechtvaardigd, evenals een objectvrijstelling voor buitenlandse v.i.-resultaten, maar dat als in binnenlandse gevallen ‘definitieve’ dochter- c.q. filiaalverliezen naar de moeder/het hoofdhuis gaan, dat in grensoverschrijdende gevallen in beginsel ook zal moeten gebeuren. Art. 13d(9)(a) Wet Vpb maakt weliswaar geen onderscheid naar gelang de geliquideerde dochter in het binnenland of in het buitenland is gevestigd, maar uit de geciteerde rechtspraak blijkt dat het HvJ in de combinatie van die bepaling en de alleen binnenslands beschikbare mogelijkheden van art. 15 Wet Pro Vpb een discriminatie ziet, die weliswaar in de regel gerechtvaardigd kan worden uit evenwichtigheidsoogpunt en misbruikbestrijdingsnoodzaak, maar onevenredig de vestigingsvrijheid belemmert als de ‘definitieve verliezen’ van A Plc door Nederland van aftrek worden uitgesloten.
Memira Holding [55] werd het HvJ gevraagd wat hij bedoelde met de term ‘definitief’ voor de op grond van
Marks & Spencer IIeventueel door de moederstaat over te nemen verliezen van niet in de moederstaat onderworpen dochters. De zaak betrof de Zweedse vennootschap Memira die de aandelen hield in een Duitse dochter. Die dochter had verlies gemaakt en haar activiteiten waren stopgezet. Memira had geen andere groepsvennootschappen of vaste inrichting in Duitsland. Zij wilde haar Duitse dochter juridisch met haar fuseren om dochter’s Duitse verliezen in Zweden te kunnen benutten. In Duitsland zou geen enkele activiteit meer uitgeoefend worden. Duits belastingrecht sloot bij een dergelijke fusie verliesoverdracht naar een andere Duitse belastingplichtige uit. Het Zweedse recht liet wel verliesoverdracht toe bij dergelijke fusies als de verdwijnende vennootschap in Zweden belastbare inkomsten had, wat Memira’s geval uitsloot omdat de Duitse dochter geen Zweedse inkomsten had. De Zweedse
Högsta förvaltningsdomstolvroeg zich af of en hoe bij de beoordeling of de dochterverliezen ‘definitief’ zijn, rekening moet worden gehouden met de (on)mogelijkheden in de dochterstaat om die verliezen aldaar in aanmerking te nemen bij anderen dan die dochter zelf. Het HvJ gaf een moeizaam leesbaar antwoord op die vraag, waaruit wel volgt dat lokale wettelijke beperkingen op verliesoverdracht (zoals de onmogelijkheid onder Duits recht om bij een fusie verliezen van de verdwijnende vennootschap mee te geven aan de overnemer) de dochterverliezen op zichzelf niet ‘definitief’ maakt in de zin dat Zweden die verliezen zou moeten importeren. Het moet
feitelijkvolstrekt uitgesloten zijn dat haar verliezen nog ooit benut kunnen worden:
binnenlandsgeval aldaar de resterende verliezen van een dochter rechtens niet overgebracht kunnen worden naar andere concernvennootschappen of derden in die lidstaat, valt niet in te zien dat dat dan wél zou moeten kunnen in een grensoverschrijdend geval.
K. [56] volgt dan ook expliciet dat de woonstaat niet verplicht is om verliescompensatie te bieden die de bronstaat zelf niet wenst te bieden, ook niet als de woonstaat die verliescompensatie in een vergelijkbaar intern woonstaatgeval wél zou bieden. De zaak betrof een inwoner van Finland (K.), die zijn Franse tweede huis met verlies had verkocht. Hij wilde dit Franse en volgens hem definitieve verlies (hij had geen ander inkomen in Frankrijk) in Finland aftrekken van zijn Finse winst op verkoop van effecten. Het HvJ achtte de Finse regeling weliswaar discriminatoir, maar gerechtvaardigd om fiscale coherentie tussen winstbelasting en verliesaftrek te waarborgen en evenredig omdat Frankrijk zelf wettelijk de mogelijkheid uitsloot om verlies op de verkoop van onroerend goed te verrekenen met vermogenswinst op effecten. Van Finland kon niet gevraagd worden de negatieve gevolgen te dragen van een belastingregeling die Frankrijk heeft vastgesteld. Als er in de bronstaat geen regeling is, kan die ook niet uitgeput worden in de zin van
Marks & Spencer II, aldus het HvJ. Finland hoefde het Franse verlies dus niet te importeren. Ik wijs met name op de r.o. 76-79 en 81:
Commissie/VK [57] is een vervolg op de zaak
Marks & Spencer II.De Commissie verweet het VK dat hij
Marks & Spencer IIniet loyaal zou uitvoeren door het feitelijk uiterst moeilijk te maken om niet-Britse definitieve dochterverliezen te verrekenen met Britse moederwinsten. De Duitse regering wees het HvJ er in haar schriftelijke opmerkingen expliciet op dat zijn
Marks & Spencer II-rechtspraak opnieuw moest worden onderzocht in het licht van het arrest
K.Het HvJ overwoog vervolgens inderdaad met zoveel woorden dat de moederstaat geen (verticale) verliescompensatie mogelijk hoeft te maken die de dochterstaat zelf rechtens uitsluit, daarbij verwijzende naar zijn arrest
K.:
verticaleverliesverrekenings-mogelijkheden bij de dochter zelf, maar niet valt in te zien dat het anders zou zijn bij lokale beperkingen op of uitsluiting van
horizontaleverliesoverbrenging binnen het lokale deel van het concern waartoe de dochter behoort.
feitelijkeomstandigheden (het ophouden te bestaan van elke (toekomstige) winstmogelijkheid van het Ierse deel van de
group), moet Nederland inspringen (voor zover Nederland ook in het vergelijkbare binnenlandse geval dochterverlies bij moeder in aftrek zou toelaten).
Krankenheim-Ruhesitz [58] blijkt dat de hoofdhuisstaat geen vaste-inrichtingsverlies in aftrek hoeft toe te laten als de v.i.-staat zelf geen mogelijkheden tot
carry forwardbiedt.
K.- in Ierland een verliesregeling gold, nl.
group relief. Wél in geschil is of A Plc’s resterende, niet onder
group reliefnaar anderen overgebrachte verlies ‘definitief’ was in de EU-rechtelijke zin die het HvJ daaraan geeft in met name de geciteerde arresten
Commissie/VKen
Memira Holding. U zie de onderdelen 6.2.22 t/m 6.2.32 van het verweerschrift van de Inspecteur bij de Rechtbank, waarnaar de Staatssecretaris in cassatie verwijst. De Inspecteur stelde onder meer dat de bij liquidatie van A Plc resterende onverrekenbaarheid van € 109.981.275 aan verliezen een gevolg was van verrekeningsbeperkingen in de Ierse
group reliefwaarvoor een andere lidstaat met een ruimer stelsel zoals Nederland niet verantwoordelijk gemaakt kan worden.
wetgevinguitsloot dat A Plc’s ook na
group reliefongebruikt gebleven verlies na haar ontbinding nog gebruikt kon worden of dat deze verklaring ziet op
feitelijke omstandigheden(zoals eeuwig onvoldoende winst elders in de groep) waardoor een in abstracto geldend recht op verlies-overbrenging niet (nooit meer, door wie dan ook) benut kan worden. Uit de boven geciteerde rechtspraak van het HvJ volgt dat het EU-recht alleen in het laatste geval de moederstaat verplicht om dat definitieve verlies te vergelden op dezelfde wijze als die waarop eenzelfde verlies in de vergelijkbare binnenlandsituatie vergolden zou worden. Dat brengt mijns inziens mee dat Nederland hoe dan ook niet hoeft te importeren het verliesbedrag ad minstens USD 873.000 (€ 649.340) dat A Plc had kunnen overdragen maar niet heeft overgedragen.
group relief-beperkingen of andere Ierse wettelijke of beleidsbeperkingen, maar uitsluitend van feitelijke omstandigheden, met name onvoldoende
tax capacityin Ierland. Als er na de liquidatie van A Plc nog steeds andere Ierse groepsvennootschappen voortbestonden jegens wie A Plc
group reliefzou hebben kunnen genieten als zij zelf ook zou hebben voortbestaan, verplicht EU-recht niet tot verliesimport in Nederland. In dat geval is het verloren gaan van haar verliescompensatiemogelijkheden immers een gevolg van Ierse wetgeving die liquidatieverliezen van groepsvennootschappen niet stalt voor later gebruik door de voortbestaande groepsvennootschappen, maar
group reliefvoor liquidatieverliezen van groepsvennootschappen uitsluit.
Commissie/VKen
Memira Holding, dan rijst de vraag naar welk recht die alsdan alsnog in Nederland te vergelden definitieve Ierse verliezen van A Plc moeten worden berekend. Daarop geeft de zaak
A Oy [61] een soort antwoord: het hangt ervan af. Die zaak betrof een Fins meubelbedrijf met een 100% Zweedse dochter die na handelsverliezen haar drie verkooppunten had gesloten. De Zweedse dochter zou haar Zweedse handelsactiviteiten niet voortzetten, maar was wel gebonden aan langlopende huurcontracten. De Finse moeder wilde de Zweedse dochter juridisch fuseren om dier Zweedse verliezen af te zetten tegen haar Finse winsten. Naar Fins recht kon een Finse moeder die een binnenlandse dochter absorbeert het verlies van die dochter fiscaal nemen. Bij absorptie van een niet-ingezeten dochter was dat niet mogelijk. De A-G Kokott concludeerde dat zo’n nationale regeling de vrijheid van vestiging beperkt, maar noodzakelijk is voor evenwichtige heffingsverdeling tussen de lidstaten en in redelijke verhouding staat tot dit doel. Zij ging niettemin ook in op de tweede prejudiciële vraag of eventueel te importeren definitieve dochterverliezen moeten worden berekend volgens de belastingwetgeving van de moeder staat of naar het recht van de dochterstaat: [62]
A Oy, niet vergeleken kan worden tussen een grensoverschrijdende absorptiefusie en eenzelfde binnenlandse absorptiefusie. In ons geval bestaat geen vergelijkbare binnenlandse situatie.
Group reliefis immers fundamenteel anders dan een fiscale-eenheidsregime. Onder
group reliefwordt geen enkele intragroepstransactie uitgeschakeld; evenmin verdwijnen deelnemingen.
Group reliefhoudt slechts in facultatieve
arm’s lengthoverdracht, tegen vergoeding van de fiscale waarde, van een verlies aan een andere groepsvennootschap. Het is daarmee fundamenteel anders dan een fiscale-eenheidsregime zoals het Nederlandse, dat (de deelneming in) de gevoegde dochter fiscaal doet verdwijnen, alsook al haar transacties met de moeder. Onder een fiscale-eenheidsregime zijn er geen separate dochterresultaten en moederresultaten meer. De belasting wordt geheven alsof er nog maar één belastingplichtige is. Wij hebben dus te maken met een dispariteit: het vergelijkbare binnenlandgeval bestaat niet. Zoals boven bleek, verplicht de vestigingsvrijheid de lidstaten niet om dispariteiten op te heffen.
group reliefen is mijns inziens dan ook niet ‘enigerlei tegemoetkoming’ voor dochterverliezen zoals bedoeld in art. 13d(9)(a) Wet Vpb. In het Nederlandse belastingstelsel is de dochter ofwel gevoegd, ofwel niet gevoegd. Is zij niet gevoegd, dan geldt de deelnemingsvrijstelling, óók voor verliezen, die niet overgedragen kunnen worden, anders dus dan onder
group relief, die daarmee onvergelijkbaar wordt. Is de dochter wél gevoegd, dan zijn al haar resultaten al steeds, elk jaar, gesaldeerd met die van de andere voegelingen en kan zich geen liquidatieverlies voordoen omdat een niet-bestaande deelneming fiscaal niet zichtbaar geliquideerd kan worden, waardoor
group reliefook daarmee onvergelijkbaar wordt.
Marks & Spencer- en
Memira/Commissie-VK/K.-rechtspraak:
Marks & Spencer IIis kennelijk gebaseerd op de ‘altijd-ergens’-gedachte [64] (in een interne markt moet het in beginsel niet uitmaken of de moeder zich secundair vestigt in het binnenland of in een andere lidstaat) en de arresten
Memira Holding, Commissie-VKen
K. zijn kennelijk gebaseerd op de gedachte dat de moederstaat niet de nadelige gevolgen van verliescompensatiebeperkingen of -uitsluitingen in de verliesbronstaat hoeft te compenseren.
Memira Holdingen
Commissie-VK- wat mijns inziens niet het geval is zolang een of meer Ierse
group-vennootschappen voortbestaan die in de toekomst winsten zouden kunnen maken waarmee A Plc’s verliezen gecompenseerd zouden hebben kunnen worden als ook zij zou hebben voortbestaan; in dat geval is de onmogelijkheid van gebruik van haar verliezen immers een gevolg van de Ierse beperkende regel dat nog niet overgebrachte verliezen van A Plc verdampen bij liquidatie, óók als er in Ierland nog
group-vennootschappen voortbestaan die in de toekomst winst kunnen maken - pleit het bovenstaande er voor om in dit geval uit te gaan van het volgens Ierse maatstaven niet meer compensabele verlies van A Plc, in elk geval als bovengrens. De uit
Marks & Spencer IIblijkende bedoelingen van het Hof zijn immers (i) dat zoveel mogelijk de vergelijkbare binnenlandse situatie wordt benaderd (en aannemelijk is dat in een binnenlandgeval het resterende verlies op de een of andere manier benut zou hebben kunnen worden, ofwel binnen een fiscale eenheid, ofwel bij liquidatie van de niet-gevoegde deelneming), (ii) dat
double dips, misbruik en onevenwichtige verdeling van fiscale jurisdictie worden voorkomen, wat strookt met de ratio van art. 13d(9)(a) Wet Vpb, en (iii) een evenwichtige verhouding ontstaat tussen bedoelingen (i) en (ii).
stand alonenaar Nederlandse maatstaven zouden zijn berekend en € 115.592.673 (plus € 649.340) aan verliezen door haar al zou zijn overgedragen aan anderen.
group relief-geval, maar als met alle geweld met een binnenlandgeval vergeleken moet worden, lijkt mij een niet-voegingsgeval het minst onvergelijkbaar met
group relief(die immers geen spoor van enig kenmerk van voeging inhoudt), mits daarbij rekening wordt gehouden met de effecten van
group reliefdie binnenslands in een
stand alonegeval niet beschikbaar zijn. Het EU-recht verplicht immers geenszins tot gunstiger behandeling van de grensoverschrijdende situatie. Dat leidt tot het volgende: volgens de feitenrechters is naar Nederlandse maatstaven een liquidatieverlies aftrekbaar ad € 202.687.308. Daaruit wordt de in Ierland al door
group reliefgenoten verliescompensatie geëlimineerd om in overeenstemming met EU-recht en met de strekking van art. 13d(9) Wet Vpb te voorkomen dat
double dips, misbruik of onevenwichtige heffingsverdeling ontstaan. Van de genoemde € 202.687.308 wordt dus de € 115.592.673 (plus € 649.340) afgetrokken die A Plc elders in de interne markt al heeft gebruikt of had kunnen gebruiken. Aldus wordt het verlies in uitgangspunt naar Nederlandse maatstaven berekend en het evenwichtige en proportionele resultaat bereikt dat het HvJ kennelijk voor ogen stond in
Marks & Spencer IIvoor ‘definitieve verliezen. Ik herhaal dat door het verwijzingshof eerst vastgesteld moet worden of A Plc’s verliezen wel ‘definitief’ zijn in de zin van
Memira Holdingen
Commissie/VK. Zijn ze dat niet, dan zit belanghebbendes probleem niet in Nederland, maar in de Ierse
group relief-beperkingen.
de factodiscriminatie van grensoverschrijdende indirecte investering ten opzichte van interne indirecte investering, of tussen secundaire vestiging in euro-EU-lidstaten en secundaire vestiging in niet-euro-EU-lidstaten. De vestigingsvrijheid kan mijns inziens niet afhankelijk gemaakt worden van de toevallige boekhoudvaluta.