Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Een woningbouwvereniging diende bezwaar in tegen de verhuurderheffing 2014 van ruim € 2 miljoen, stellende dat deze heffing niet in verhouding staat tot de inkomensafhankelijke huurverhogingen en in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechtbank Zeeland-West-Brabant onderzocht of de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (Wmw II) in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol en artikel 14 EVRM Pro in samenhang met artikel 26 IVBPR Pro.
De rechtbank concludeerde dat de verhuurderheffing een inbreuk vormt op het eigendomsrecht, maar dat deze inbreuk wettelijk is voorzien, een legitiem algemeen belang dient en binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever valt. De stelling van de woningbouwvereniging dat zij slechts 25% van de heffing kan bekostigen uit huurverhogingen en daardoor een buitensporige last draagt, werd onvoldoende onderbouwd geacht.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur werd verworpen. De rechtbank achtte de keuze van de wetgever om verhuurders van tien of minder woningen buiten de heffing te laten en de beperking tot het gereguleerde segment niet evident onredelijk. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en de verhuurderheffing bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van de woningbouwvereniging tegen de verhuurderheffing 2014 wordt ongegrond verklaard.