Belanghebbende, woonachtig in Nederland, werkte in 2012 in loondienst voor een Luxemburgse werkgever en in 2013 voor een Cypriotische werkgever op een binnenschip met exploitant gevestigd in Nederland. Voor 2012 verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.
Voor 2013 oordeelde de rechtbank dat de A1-verklaring, afgegeven door de SVB op basis van EU-verordeningen, bindend is en bevestigt dat belanghebbende sociaal verzekerd is in Nederland. De omstandigheden rond de latere Liechtensteinse A1-verklaring en de vernietiging van het bezwaar tegen de Nederlandse A1-verklaring leiden niet tot een ander oordeel.
Belanghebbende voerde aan dat het Cypriotische recht van toepassing zou zijn en dat het belastingverdrag Nederland-België belastingheffing aan België toewijst, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken. De rechtbank oordeelde dat de belastingheffing in Nederland terecht is vastgesteld en dat geen schending van het EVRM, het zorgvuldigheidsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld.
De rechtbank wees ook op de bewijslast van belanghebbende en concludeerde dat deze niet is voldaan. Het beroep 2013 is daarom ongegrond verklaard. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.