ECLI:NL:RBARN:2012:BW0470
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.C.G.J. van Well
- G.H.W. Bodt
- J.M.W. van de Sande
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling premieplicht volksverzekeringen voor rijnvarende kapitein op binnenvaartschepen
Eiser, een Nederlandse kapitein in loondienst werkzaam op verschillende binnenvaartschepen, stelde zich in geschil met de Belastingdienst over de premieplicht voor de volksverzekeringen in Nederland voor de jaren 2003 tot en met 2007. De kernvraag was of eiser als rijnvarende in de zin van het Rijnvarendenverdrag moet worden aangemerkt en wie als exploitant van de schepen geldt, hetgeen bepalend is voor de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving.
De rechtbank stelde vast dat eiser inderdaad als rijnvarende moet worden beschouwd, conform het arrest van de Hoge Raad van 9 december 2011. De Luxemburgse E-104 en E-106 verklaringen waren niet relevant omdat het Rijnvarendenverdrag exclusief van toepassing is. Vervolgens oordeelde de rechtbank dat de bewijslast voor het aanwijzen van de exploitant bij de Belastingdienst ligt. De Belastingdienst slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de Nederlandse eigenaren van de schepen de exploitanten waren; de Luxemburgse vennootschap [D] SA moest als exploitant worden aangemerkt.
Voor het motortankschip [O] was geen Rijnvaartverklaring afgegeven en was de eigenaar tevens exploitant, gevestigd in Nederland, waardoor voor dat schip de Nederlandse wetgeving van toepassing is. De rechtbank verklaarde de beroepen van eiser gegrond, vernietigde de uitspraken op bezwaar, en bepaalde dat eiser voor de jaren 2003, 2004, 2006 en 2007 geen premie volksverzekeringen verschuldigd is en voor 2005 slechts over een deel van het jaar. Tevens werd de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd en verweerder veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Eiser is voor de jaren 2003, 2004, 2006 en 2007 vrijgesteld van premieplicht volksverzekeringen en voor 2005 gedeeltelijk, met vermindering van heffingsrente en vergoeding van proceskosten.