ECLI:NL:RBZWB:2016:6902
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake inzage stukken in bezwaarfase belastingaanslag BPM
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM en een opgelegde vergrijpboete over het eerste kwartaal van 2014. Tijdens de bezwaarfase verzocht belanghebbende de rechtbank om een voorlopige voorziening die de inspecteur verplicht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te geven en gemotiveerd uitleg te verstrekken over het gevoerde beleid.
De rechtbank erkent de spoedeisendheid van het verzoek omdat belanghebbende stukken niet kent die ten grondslag liggen aan de naheffingsaanslag en boete. Echter, op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad kan de inspecteur in een bodemprocedure niet worden gedwongen tot overlegging van stukken. De rechtbank ziet dan ook geen reden om deze verplichting bij wijze van voorlopige voorziening op te leggen.
Belanghebbende stelde ook dat de inspecteur gebonden is aan redelijkheid, billijkheid, proportionaliteit, subsidiariteit en het unierechtelijke verdedigingsbeginsel. De voorzieningenrechter acht het niet aan de orde deze stellingen in deze voorlopige voorziening te beoordelen; deze zullen in de bodemprocedure aan bod komen.
Het verzoek wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om inzage en overlegging van stukken bij wijze van voorlopige voorziening wordt afgewezen.