Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 8 november 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
bezien in onderlinge samenhanghet CBR zich op het standpunt mocht stellen dat wederpartij ernstig gestoord inzicht of gedrag heeft vertoond op grond waarvan een vermoeden bestaat dat hij niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel de lichamelijke en geestelijke geschiktheid. In dat geval waren er naast het feit dat tegenover de politie was verklaard dat wederpartij iedere dag wiet rookte en hij een gebruikershoeveelheid wiet bij zich had nog bijkomende omstandigheden, namelijk dat er joints in de asbak van de auto waarin wederpartij zich bevond werden aangetroffen en uit antecedenten bleek dat hij bij de politie al langere tijd bekend was als gebruiker van softdrugs. Deze bijkomende omstandigheden zijn bij eiser niet aan de orde. Bovendien heeft eiser verklaard dat de in zijn auto aangetroffen zakjes met hennep niet van hem waren en zag zijn hennepgebruik uitsluitend op het roken van één joint in de avond.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt het CBR op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het CBR in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.104,73.