Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het procesverloop
2.De feiten
In dit gesprek gaf ik aan dat door de veranderingen in de werkzaamheden binnen de [verzoekster] binnendienst, ca. 3 jaar geleden ingezet, de aard van deze werkzaamheden veranderd zijn van primair orderhandeling naar meer naar buiten treden en acquisitie.
3.Het verzoek
4.Het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek
5.De beoordeling
Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier voor. Daarover wordt het volgende overwogen.
opbouwend commentaar”. Op 12 april 2013 werd opnieuw een functioneringsgesprek gevoerd. Bij die gelegenheid is de ontwikkeling van [verweerster] beoordeeld in het licht van de eerder genoemde verbeterpunten. De conclusie in het verslag van dat gesprek luidt: “
Over het algemeen genomen ben je in alle zwakke punten zeker verbeterd en zit in de goede en positieve lijn. Dit volhouden en nog meer verbeteren.” Ten slotte vermeldt het door de leidinggevende van [verweerster] opgemaakte verslag van het laatste functioneringsgesprek op 4 september 2014: “
[naam 4] is over het algemeen gegroeid in haar werk en meer betrokken bij [verzoekster] .” Wel blijven er aandachtspunten, die vervolgens in het verslag zijn opgesomd. Naar het oordeel van de kantonrechter rechtvaardigen dergelijke conclusies niet het idee dat het functioneren van [verweerster] niet kon worden verbeterd tot een voor [verzoekster] aanvaardbaar niveau.
[naam 7](kantonrechter: [naam 7] )
gesproken over dossier [naam 4] . Hij wordt er eerlijk gezegd ook niet goed van en geirriteerd.(…)
Zijn voorstel is een nieuwe functieomschrijving alleen voor [naam 4] te maken waarin ik aangeef dat dit vanuit Duitsland zo bepaald is.(...)”;
Om blijvende issues met [naam 4] te voorkomen is het denk ik belangrijk een nieuwe, schone start te maken die los staat van haar persoonlijk functioneren of functie.” (…) “
Ik kan de aangepaste functiebeschrijving voor [naam 4] maken. Dat is niet meer dan een paar uur werk.” (…) “
Het belangrijkste is dat het voor [naam 4] duidelijk wordt dat dit een algemene maatregel is die voor iedereen in de binnendienst geldt. Niet speciaal op haar gericht, niemand heeft de pik op haar, ze wordt net als iedereen behandelt, geen uitzondering.”
Jij krijgt dan voor iedereen op de binnendienst passende functiebeschrijvingen per 1/7. En je bent van het constante gezeur met [naam 4] af.”
We kunnen vrijdag of volgende week maandag even bellen om te kijken hoe je het aan [naam 4] gaat brengen als je wilt. Het is belangrijk dat het goed gaat en dat je eindelijk verlost bent van het constante gedoe rond haar en dat iedereen zijn aandacht kan schenken aan het werk.”
Dit is de reactie van [naam 8] : denk wel dat met de nieuwe job descriptions [naam 4] moet worden duidelijk gemaakt dat deze flauwekul nu is afgelopen, indien weer formele stappen, alsje wilt kan ik dit aan haar vertellen”.
per omgaande” daarop te reageren. Op [verweerster] ’s reactie dat het voorstel haar overviel en zij uiterlijk vrijdag 18 maart 2016 zou reageren schreef [naam 6] : “
Uiterlijk dinsdag 15 maart wil ik een reactie. Indien dan geen reactie wordt het voorstel omgezet in een definitieve overeenkomst.” En vervolgens op 16 maart 2016: “
Omdat je wederom niet hebt gereageerd wordt het eerder gedane voorstel omgezet in een definitieve overeenkomst.” Intussen had de toenmalige gemachtigde van [verweerster] bij brief van 15 maart 2016 aan [verzoekster] medegedeeld dat [verweerster] zich niet kon verenigen met de voorgenomen beëindiging van het dienst-verband. Na verdere correspondentie tussen die gemachtigde en eerst [naam 6] en nadien de gemachtigde van [verzoekster] , werd op 31 mei 2016 door [naam 6] aan [verweerster] medegedeeld dat zij met onmiddellijke ingang was ontslagen, althans heeft hij woorden met die strekking gebruikt, en daaraan toegevoegd dat zij het pand diende te verlaten. Klaarblijkelijk omdat [verzoekster] c.q. [naam 6] uitermate geprikkeld was door het feit dat [verweerster] sinds februari 2016 ‘nadenkt’ over de ontstane situatie, zo volgt uit de e-mail van 3 juni 2016 aan de toenmalige gemachtigde van [verweerster] . Verder is in die e-mail medegedeeld dat [verzoekster] dit ‘ontslag’ niet letterlijk bedoelde, maar dat [verweerster] wel op non-actief werd gesteld totdat partijen een akkoord zouden bereiken. Door zo te handelen heeft [verzoekster] naar het oordeel van de kantonrechter op onaanvaardbare wijze druk gezet op [verweerster] teneinde haar te bewegen om met de voorgestelde beëindiging van de arbeidsovereenkomst in te stemmen.
Kamerstukken II, 2013–2014, 33 818, nr. 3, pag. 32-34 en
Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 7, pag. 91). Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. In de billijke vergoeding kan niet tot uitdrukking komen of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, omdat dit al is verdisconteerd in de transitievergoeding. De hoogte van de billijke vergoeding moet daarom worden bepaald op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarbij criteria als loon en lengte van het dienstverband geen rol hoeven te spelen. Er kan wel rekening worden gehouden met de financiële situatie van de werkgever. Uitgaande van het voor-gaande zal de kantonrechter de billijke vergoeding vaststellen op een bedrag van € 45.000,--.