Eiser, een bijstandsontvanger sinds 2012, kreeg zijn uitkering beëindigd op grond van een vermeende gezamenlijke huishouding in een andere gemeente. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden had de bevoegdheid tot intrekking overgenomen van de deelnemende gemeenten. De rechtbank onderzocht of eiser op de datum van beëindiging, 1 september 2016, nog recht had op bijstand als alleenstaande.
Uit het feitenonderzoek bleek dat eiser overdag in zijn woning in de gemeente [plaats1] verbleef, zijn post en administratie daar ontving, en zijn persoonlijke bezittingen daar had. Hoewel hij 's nachts vaak in de woning van [naam moeder] in een andere gemeente verbleef, was niet komen vast te staan dat hij zijn woonstede in de gemeente [plaats1] had prijsgegeven. De rechtbank oordeelde dat het dagelijks bestuur eerst had moeten vaststellen of eiser zijn woonplaats had gewijzigd.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Tevens werd het dagelijks bestuur veroordeeld tot het betalen van wettelijke rente over de nabetaling, vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak bevestigt dat overdracht van bevoegdheden aan een gemeenschappelijke regeling niet betekent dat het grondgebied van deelnemende gemeenten als één gemeente wordt beschouwd voor de toepassing van de Participatiewet.