ECLI:NL:CRVB:2010:BO8851
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Pensioenuitkering niet als inkomen in bijstandsperiode toegerekend
Betrokkene ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en kreeg in september 2008 een pensioenuitkering vanwege afkoop van ouderdomspensioen. Deze uitkering werd door appellant als inkomen in die maand aangemerkt, wat leidde tot herziening en terugvordering van bijstand.
De rechtbank oordeelde dat de pensioenuitkering als vermogen moet worden beschouwd en niet als inkomen over de maand van uitbetaling, omdat het pensioen bestemd is voor een toekomstige periode, namelijk vanaf het 65e levensjaar van betrokkene. Appellant ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en stelde dat de pensioenuitkering niet in de maand van ontvangst als inkomen mag worden meegerekend. De Raad vernietigde het besluit van appellant en herroept het eerdere herzieningsbesluit. Tevens werd de vergoeding van wettelijke rente wegens te late uitbetaling van de bijstand toegekend.
De Raad veroordeelde appellant in de kosten van betrokkene en bepaalde dat het griffierecht door appellant wordt betaald. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 14 december 2010.
Uitkomst: De pensioenuitkering wordt niet als inkomen in de maand van uitbetaling toegerekend, het herzieningsbesluit wordt vernietigd en wettelijke rente wordt toegekend.