Uitspraak
1.De procedure
mr. M. van Dam, advocaat te ’s-Hertogenbosch, heeft laten vervangen door achtereenvolgens de (eveneens toegevoegde) raadslieden mr. R.T.K. Davidse, advocaat te Middelburg (per 6 november 2015) en zijn huidige raadsman mr. J.T. Willemsen (per 22 februari 2016).
- conclusie van eis, op basis van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36 e 2e lid Sr d.d. 12 augustus 2013 (verder: het rapport van de politie): wvv/tbb € 133.601,11;
2.Het standpunt van de officier van justitie
3.Het standpunt van de verdediging
4.Het oordeel van de rechtbank
ten laste gelegde oplichtingen en waarvan de oplichtingen ter zake van 21
bankrekeningen bewezen zijn verklaard, terwijl vrijspraak is gevolgd wegens de
vermeende oplichtingen inzake de bankrekening geopend door [naam 1] ;
[naam 5] , waarvan er 1 betrekking heeft op de in de strafzaak ten laste gelegde
en bewezen verklaarde oplichting ter zake van [naam 2] (feit 2), terwijl de
deze meldingen betrekking hebben ontkent te hebben gepleegd, terwijl ook deze
“dat hij nooit normale handel heeft bedreven”.
Verder meent de officier van justitie ten onrechte dat betrokkene een dusdanig herkenbare modus operandi had, dat op basis daarvan zijn gedragingen ook kunnen worden herkend in zaken waarin geen aangifte is gedaan en geen spoor naar betrokkene is gevonden, anders dan gebruikmaking van een alias. Marktplaatsoplichting met een nagenoeg vergelijkbare modus operandi had in de jaren waarop de feiten zien de nodige aandacht op diverse fora, waar de vermeende werkwijze van betrokkene eveneens was vermeld. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat er copycats actief waren, zoals bijvoorbeeld [naam 1] , die er gelijke methoden op na hielden. Er is sprake van een grote discrepantie tussen het aantal aangiften dat tegen betrokkene is gedaan en het totale bedrag aan transacties die de officier van justitie als verdacht heeft aangemerkt. Ook heeft de officier van justitie ten onrechte Duitse en Belgische bankrekeningen in zijn berekening van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel meegenomen, louter omdat deze op naam zijn gesteld van betrokkene, dan wel ten name van één van diens erkende aliassen, in combinatie met de reeds genoemde modus operandi die aan betrokkene wordt toegeschreven. Ten slotte heeft de officier van justitie, ook ten onrechte, de bankrekening die ten name van [naam 3] is gesteld meegenomen in de berekening. Hiervoor geldt dat onduidelijk is op basis van welke aanwijzingen deze bankrekening aan betrokkene is gekoppeld. De aliassen zijn niet te linken aan betrokkene en [naam 3] is nooit gevonden, gehoord of onderzocht. Ook in deze zaak kan derhalve sprake zijn geweest van een copycat. Een en ander leidt tot de conclusie dat de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een beduidend lager bedrag moet worden geschat dan het bedrag dat de officier van justitie voor ogen heeft.
“dat hij nooit normale handel heeft bedreven”als een volledige bekentenis van de feiten worden aangemerkt? (…)
“die hem niets zeggen”onder “I B”.
“dat hij nooit normale handel heeft bedreven”niet als een volledige bekentenis kan dienen, zoals de officier van justitie stelt.
dat de bankrekening bij de Centea bank zijn eerste rekening was, dat hij die rekening puur voor oplichting heeft gebruikt, dat het verder ging dan de Centea bank, dat hij wel eens heeft gezegd dat hij een Belgisch rekeningnummer had in verband met werk in België en dat dit een luizenstreek van hem was, omdat het niet kloptein onderling verband beschouwd met zijn verklaringen
dat hij geen kaarten heeft verkocht, dat die kaarten er niet waren,en dat hij heeft erkend
dat het zijn opzet was om die kaarten niet te leveren, worden aangemerkt als een volledige bekentenis ter zake van de feiten en bankrekeningen die betrekking hebben op de hiervoor genoemde verklaringen van verdachte onder I A
.
KBC bank 1n) aangevers 138 t/m 143/bank 16 2.982,62
het vermoeden sterkwas dat hij samenwerkte met één van de rekeninghouders (zaak [naam 3] ), betrokkenheid heeft bij een andere rekeninghouder
waarbij het lijktdat [Veroordeelde] het contante geld opneemt (zaak [naam 1] ) en dat hij een vergoeding geeft aan drie rekeninghouders voor het ter beschikking stellen van hun bankrekening. Hij heeft geld gegeven aan [naam 7] (zaak [naam 2] ), [naam 4] en [naam 5] voor het lenen van hun bankpas en pincode waarna hij via deze bankrekeningen met een vergelijkbare Modus Operandi als bij de bankrekeningen die op zijn naam staan, heeft geopereerd (…)
meer dan een redelijk vermoedenbestaat dat [Veroordeelde] hier eveneens betrokken bij is. Dit vermoeden bestaat
omdat de werkwijze gehanteerd werd die specifiek door [Veroordeelde] werd gehanteerdin de delicten die zijn
In het raamproces-verbaal met nummer BVO 29-054533A zijn
deze delicten ad informandumtoegevoegd.
Deze feiten zijn niet nader onderzocht. In een brief van de Cel voor Financiële Informatieverwerking inzake twee van deze bankrekeningen, wordt vermeld dat deze bankrekeningen op naam van [Veroordeelde] staan. In de uitvoering van een rechtshulpverzoek naar Duitsland staat eveneens dat één van de bankrekeningen op naam van [Veroordeelde] staat.
Aannemelijkis dat [Veroordeelde] op dezelfde wijze als hiervoor beschreven, geldbedragen heeft ontvangen op de Belgische en Duitse bankrekeningen die ad informandum zijn bijgevoegd (…)
vermoedelijk
geen aangifte van [naam 1] bekend. Gezien de werkwijze, het geld in contanten was opgenomen door
een persoon die lijkt op
[Veroordeelde]en het contact dat benadeelden blijkens de aangiften hadden met verdachte is hier
sterk het vermoedendat deze verdachte en tevens de begunstigde van de gelden [Veroordeelde] betreft.
Het lijkt eropdat [naam 1] in dit geval ook als katvanger is gebruikt door [Veroordeelde] .
In de zaak [naam 3] is geen aangifte van [naam 3] bekend.”
- kosten abonnement mobiele telefonie ad € 50,00 per maand en internetkosten ad € 25,00 per maand, totaal € 75,00 per maand, gedurende een periode van 51,5 maanden, ad totaal
- de bewijsmiddelen ter zake van de bewezen verklaarde delicten in de strafzaak, zoals genoemd in het eindvonnis van deze rechtbank d.d. 16 oktober 2014, pgs. 3 t/m 91.
- dat met de behandeling van de strafzaak iets langer dan een periode van een jaar is gemoeid, wat heeft geleid tot het eindvonnis op 16 oktober 2014;
- dat de beslissing op de ontnemingsvordering op 18 mei 2017, derhalve twee jaar en zeven maanden na het eindvonnis in de strafzaak (en drieënhalf jaar na betekening van de vordering) wordt gegeven;
5.De wettelijke voorschriften
6.De beslissing
€ 60.331,00 (zegge: zestigduizend driehonderd éénendertig euro), ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.