Belanghebbende, een woningcorporatie, maakte bezwaar tegen de verhuurderheffing over 170 leegstaande woningen per 1 januari 2015. De kern van het geschil betrof de uitleg van het begrip 'huurwoning' in de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II en de Wet verhuurderheffing.
De rechtbank bevestigt dat het begrip verhuur moet worden uitgelegd conform het Burgerlijk Wetboek en verwerpt het standpunt van de inspecteur dat elke woning kwalificeert als sociale-huurwoning tenzij uitzonderingen gelden. De rechtbank stelt dat het enkele feit van leegstand niet uitsluit dat een woning een sociale-huurwoning is, mits de woning bestemd is voor verhuur tegen een sociale-huurprijs.
De rechtbank onderscheidt categorieën leegstaande woningen: woningen bestemd voor verkoop, sloop (met of zonder bekend plan voor nieuwbouw), en renovatie. Woningen bestemd voor verkoop of sloop kwalificeren niet als sociale-huurwoning omdat ze niet meer bestemd zijn voor verhuur. Renovatie- en frictieleegstandwoningen kwalificeren wel als sociale-huurwoning.
De rechtbank wijst partijen aan om in overleg te bepalen welke woningen onder welke categorie vallen en wat de financiële consequenties zijn. De bewijslast rust in beginsel op de inspecteur, maar belanghebbende moet aannemelijk maken wanneer een woning niet langer bestemd is voor verhuur tegen sociale-huurprijs.
De rechtbank houdt de beslissing aan en verlangt een schriftelijk rapport van de inspecteur over de uitkomsten van het overleg voor 1 november 2017.