Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbenden maakten bezwaar tegen aanslagen onroerende-zaakbelastingen voor twee bospercelen over 2014 en 2015, stellende dat zij niet als gebruikers konden worden aangemerkt omdat de percelen openbaar toegankelijk zijn en het Ministerie van Defensie het perceel zou huren.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat het Ministerie van Defensie gebruiker is en dat zij zelf de percelen gebruiken voor wandelen, waardoor zij als gebruikers gelden. Ook het gebruik door derden wordt aangemerkt als volgtijdig gebruik, waarvoor belanghebbenden als gebruikers worden aangeslagen.
Verder werd het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel verworpen. De rechtbank stelde dat de vrijstellingen voor NSW-landgoederen en natuurterreinen binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever vallen en dat belanghebbenden geen begunstigend beleid of disproportionele ongelijke behandeling aannemelijk maakten.
Het beroep op schending van het eigendomsrecht (artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM) faalde eveneens omdat de belastingheffing een legitiem algemeen belang dient en geen individuele buitensporige last oplevert. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, veroordeelde de heffingsambtenaar in proceskosten en gelastte vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen gebruikersheffing voor de bospercelen worden ongegrond verklaard; belanghebbenden zijn terecht als gebruikers aangemerkt.