Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de box 3-heffing over de jaren 2014 en 2015, stellende dat het forfaitaire rendement van 4% niet overeenkomt met het werkelijk behaalde rendement, wat volgens hem leidt tot een individuele buitensporige last in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
De rechtbank analyseerde het wettelijke kader van de Wet inkomstenbelasting 2001, de jurisprudentie van de Hoge Raad en eerdere uitspraken van deze rechtbank. Hierbij werd bevestigd dat het forfaitaire stelsel niet in strijd is met artikel 1 EP Pro, tenzij vaststaat dat het rendement van 4% niet meer haalbaar is en belastingplichtigen daardoor een buitensporige last ervaren.
Belanghebbende kon onvoldoende aantonen dat het forfaitaire rendement onhaalbaar was voor de jaren 2014 en 2015. Ook het feit dat het verschuldigde belastingbedrag hoger was dan het inkomen uit spaartegoeden, was onvoldoende om van een individuele buitensporige last te spreken, mede gezien het overige inkomen en vermogen van belanghebbende.
De rechtbank concludeerde dat de box 3-heffing niet onrechtvaardig is en verklaarde de beroepen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de box 3-heffing over 2014 en 2015 worden ongegrond verklaard.