Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in Nederland en werkzaam in loondienst bij een Luxemburgse werkgever op een Nederlands geregistreerd binnenvaartschip, betwistte de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2011 tot en met 2013. De inspecteur had de door belanghebbende gevraagde aftrek ter voorkoming van dubbele belasting en vrijstelling van premie volksverzekeringen geweigerd.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende als Rijnvarende valt onder de Rijnvarendenovereenkomst en dat de sociale verzekeringsplicht volgens artikel 16 van Pro Verordening (EG) 883/2004 wordt bepaald door de zetel van de exploitant van het schip, welke in dit geval in Nederland is gevestigd.
Belanghebbende voerde aan dat een E-101 verklaring uit Luxemburg hem vrijstelde, maar de rechtbank oordeelde dat deze verklaring geen rechtskracht had in het kader van de Rijnvarendenovereenkomst en dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing was. De A1-verklaring van de Nederlandse SVB werd als bindend voor de inspecteur beschouwd. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving is van toepassing op belanghebbende als Rijnvarende.