Conclusie
1.Overzicht
tot1 april 2012 op basis van art. 11 RV Pro en
vanaf1 april 2012 op basis van art 16(1) Vo. 883/2004 juncto art. 4(2) (Rvov).
principalecassatieberoep van de
belanghebbendekomt erop neer dat het Hof zich gebonden had moeten achten aan de Luxemburgse E101-verklaring en ten onrechte meende dat het EU-recht en het RV c.a. niet verplichtten tot heffingscoördinatie vooraf of premieverrekening achteraf. Zijn
incidentelecassatieberoep komt erop neer dat het Hof niet kon volstaan met ontdubbeling door verrekening van de Luxemburgse premies met de Nederlandse, maar enkel premieplicht in Luxemburg had moeten aannemen omdat ook enkelvoudige premieplicht in het hoogstheffende land zijn belang schaadt in strijd met Vo. 883/2004 en Toepassingsvo. 987/2009.
Staatssecretariskomt erop neer dat de exclusief bevoegde lidstaat Nederland niet door EU-recht of de Rvov verplicht wordt om terug te treden ten gunste van een niet-bevoegde lidstaat, noch om diens ten onrechte geheven premies te verrekenen, subsidiair dat het Hof verzuimd heeft te onderzoeken of en zo ja, welke premies daadwerkelijk in Luxemburg zijn betaald en vergelijkbaar zijn met de Nederlandse.
belanghebbendes principale cassatieberoepmeen ik dat op een ingetrokken onjuiste E101-verklaring geen beroep gedaan kan worden. Omdat die intrekking kennelijk niet aan de belanghebbende is meegedeeld, doe ik hieronder met de feitenrechters alsof zij niet zou zijn ingetrokken.
X en Van Dijken HR
BNB2016/101 volgt dat onjuiste E-verklaringen, afgegeven op basis van de niet op rijnvarenden toepasselijke oude Vo. 1408/71 andere lidstaten niet binden. De belanghebbende betoogt dat zijn E101-verklaring na de inwerkingtreding van de nieuwe Vo 883/2004 en de nieuwe Rvov Nederland wél bindt omdat de Rvov de nieuwe verordening niet meer uitschakelt, maar alleen diens materiële aanwijsregels en niet de procedureregels, zodat de betekenis van de tot 1 mei 2010 irrelevante E101-verklaring na die datum beoordeeld moet worden op basis van de nieuwe procedureregels, die inhouden dat anterieure verklaringen van andere lidstaten de lidstaten binden. Het ontgaat mij echter hoe iets dat altijd ongeldig is geweest en dus nooit betekenis heeft gehad voor de stelselaanwijzing omdat exclusief een andere regeling (het RV) geldt, door een wetswijziging die niets van dien aard bepaalt maar integendeel juist opnieuw een andere regeling aanwijst (de Rvov), alsnog geldig zou worden. Dat betoog vindt mijns inziens geen steun in het recht.
shoppenin strijd met het RV en de Rvov. Het gaat in art. 16 Vo Pro. 883/2004 om een ander ‘belang’: dat van voorkoming van versnippering van verzekering over alle Rijnoeverstaten. Een
regularisatieprocedure kan overigens slechts tot door de belanghebbende kennelijk juist niet gewenste exclusieve Nederlandse bevoegd leiden.
het primaire onderdeel van het cassatieberoep van de Staatssecretarisgegrond: zoals uit het bovenstaande volgt, meen ik dat de regularisatieprocedure van art. 16 Toepassingvo Pro., die alleen voor de toepassing van art. 13 Basisverordening Pro geldt, dat expliciet
niet-toepasselijk is op rijnvarenden, in casu niet van toepassing is, en dat als dat anders zou zijn, die procedure tot geen ander resultaat kan leiden dan exclusieve Nederlandse heffingsbevoegdheid. Dat ook art. 6 Toepassingvo Pro. niet van toepassing is als de Rvov van toepassing is, volgt daaruit dat die bepaling de enige juiste stelselaanwijzing (die van de scheepsexploitantstaat) niet bevat. De rangorderegeling in art. 6 Toepassingvo Pro. voor aanwijzing van een ‘voorlopig’ bevoegde Staat (1. Werkstaat; 2. Woonstaat; 3. Aanvraagstaat) leidt tot voorlopige aanwijzing van de bij rijnvarenden voortdurend wisselende werkstaat die daarom
juistmoet worden vermeden volgens het wél toepasselijke art. 4 Rvov Pro. Aan art. 73 Toepassingsvo Pro. (verrekening van voorlopig geheven premies) en Besluit A1 van de Administratieve Commissie (overleg- en bemiddeling) komt men dan niet toe, daargelaten dat die bepalingen alleen van toepassing zijn als voorlopig een andere Staat aangewezen zou zijn dan de uiteindelijk bevoegd blijkende Staat. Daarvan is in casu geen sprake. Het door het Hof genoemde HvJ-arrest
Sante Pasquinilijkt mij niet relevant, want een heel ander probleem en andere EU-regels betreffende zaak. Als het al zo zou zijn (r.o. 4.19 Hof) dat “in het kader van de sinds 1 mei 2010 geldende basis- en toepassings-verordening Nederland en Luxemburg samen actief moeten optrekken”, kan de rechter niet bepalen wat het resultaat daarvan zou (moeten) zijn geweest, maar mijns inziens in geen geval dat de onbetwist exclusief bevoegde staat niet of niet volledig zou mogen heffen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Sàrl( [E] ), die hem tewerkstelde op een binnenvaartschip van een Nederlandse exploitant. Hij was rijnvarende in de zin van het RV en diens opvolger, de Rvov. De bevoegde Luxemburgse autoriteit heeft op 22 februari 2006 op basis van de niet op rijnvarenden toepasselijke Vo. (EEG) 1408/71 een E101-verklaring afgegeven inhoudende dat de belanghebbende vanaf 1 januari 2004 voor onbepaalde tijd onderworpen was aan de Luxemburgse sociale zekerheidswetgeving. Op verzoek van de Nederlandse Inspecteur heeft die Luxemburgse autoriteit die E101-verklaring in 2016 ingetrokken per 1 januari 2007 en daarvan bij brief van 26 augustus 2016 aan de Sociale Verzekeringsbank (Svb) mededeling gedaan. Aan de belanghebbende is daarvan kennelijk geen mededeling gedaan. De feitenrechters hebben daarom verondersteld dat de verklaring niet ingetrokken zou zijn.
tot1 april 2012 op basis van art. 11 RV Pro, en
vanaf1 april 2012 op basis van art 16(1) Vo. 883/2004 juncto art. 4(2) Rvov.
Beoordeling van het geschil
BNB2019/44 (zie onderdeel 5.14 van de bijlage) niet bevoegd om het besluit van de Svb van 12 december 2017 over belanghebbendes onderworpenheid aan verzekerings- en premieplicht tussen 1 januari 2011 en 31 maart 2012 materieel te toetsen:
Periode 1 januari 2011 tot en met 31 maart 2012: besluit toepasselijke wetgeving van 12 december 2017
BNB2019/44 (zie onderdeel 5.14 van de bijlage) achtte het Hof zich ook gebonden aan de (gewijzigde) A1-verklaring voor de periode 1 april 2012 t/m 31 december 2013, maar hij voelde zich wel genoodzaakt om de tot dubbele premieheffing leidende impasse te doorbreken waarin de belanghebbende terecht was gekomen door niet-naleving, door de Nederlandse autoriteiten, van de procedureregels van het Besluit A1 van de EU Administratieve Commissie (zie onderdeel 4.39 van de bijlage) en de artt. 6, 16 en 73 van Toepassingsvo. 987/2009 (zie de onderdelen 4.35, 4.30 resp. 4.38 van de bijlage):
Periode van 1 april 2012 tot en met 31 december 2013: de A1-verklaring van 12 december 2017
3.Het geding in cassatie
principalecassatieberoep. De belanghebbende heeft op 10 april 2020 op dat verweer gerepliceerd. De Staatssecretaris heeft zich ook verweerd tegen belanghebbendes
incidentelecassatieberoep en daarbij tegelijk gerepliceerd op belanghebbendes verweer tegen het cassatieberoep van de Staatssecrestaris. De Staatssecretaris heeft op 8 april 2020 gedupliceerd in belanghebbendes principale cassatieberoep. De belanghebbende heeft op 10 april 2020 gedupliceerd in het cassatieberoep van de Staatssecretaris en daarbij tegelijk gerepliceerd in het incidentele cassatieberoep.
principalecassatieberoep van de
belanghebbendekomt erop neer dat het Hof zich gebonden had moeten achten aan de Luxemburgse E101-verklaring en ten onrechte meende dat het EU-recht en het RV c.a. niet verplichtte tot heffingscoördinatie vooraf of premieverrekening achteraf. Zijn
incidentelecassatieberoep komt erop neer dat het Hof niet kon volstaan met ontdubbeling door verrekening van de Luxemburgse premies met de Nederlandse, maar enkel premieplicht in Luxemburg had moeten aannemen omdat ook enkelvoudige premieplicht in het hoogstheffende land zijn belang schaadt in strijd met Vo. 883/2004 en Toepassingsvo. 987/2009.
Staatssecretariskomt erop neer dat de exclusief bevoegde lidstaat Nederland niet door EU-recht of de Rvov verplicht wordt om terug te treden ten gunste van een niet-bevoegde lidstaat, noch om diens ten onrechte geheven premies te verrekenen, subsidiair dat het Hof verzuimd heeft te onderzoeken of en zo ja, welke premies daadwerkelijk in Luxemburg zijn betaald en vergelijkbaar zijn met de Nederlandse.
middel 1betoogt de belanghebbende dat voor de periode 1 april 2012 t/m 31 december 2013 Basisvo. 993/2004 en Toepassingsvo. 987/2009 gelden, maar dat over de periode 1 januari 2011 t/m 31 maart 2012 nog een procedure loopt in de sociale zekerheidskolom, nl. bij de CRvB. Hij herhaalt dat de Luxemburgse E101-verklaring zijns inziens niet is ingetrokken. In de nieuwe Vo. 883/2004, die vanaf 1 mei 2010 geldt in plaats van de oude Vo. 1408/71 (zie onderdeel 4, sub C. en sub D. van de bijlage) is geen bepaling opgenomen zoals art. 7(2)(a) Vo. 1408/71 (zie onderdeel 4.14 van de bijlage) die het RV voorrang gaf op de oude Vo. 1408/71. De huidige Rvov is gebaseerd op art. 16 Vo Pro 883/2004. De rechtspraak van het HvJ EU over (het gebrek aan) betekenis van een onjuiste E101-verklaring onder het oude RV is daarom volgens belanghebbende niet meer relevant. De rechtswaarde van een dergelijke verklaring moet nu worden bepaald op basis van Vo. 883/2004, in het bijzonder art. 5 Toepassingsvo Pro. 987/2005 (onderdeel 4.32 van de bijlage), zodat zij nu andere Staten wel degelijk bindt. De belanghebbende ziet dat bevestigd in art. 6(2) Rvov (onderdeel 4.26 van de bijlage), dat bepaalt dat verklaringen over de toepasselijke wetgeving, afgegeven op basis van het RV, de in de verklaring vermelde geldigheidsduur houden. Het Hof heeft miskend dat art. 6(2) Rvov zinloos zou zijn als die aan de E101-verklaring geen betekenis zou toekennen.
middel 2dat het RV zelf weliswaar inderdaad geen overleg-, bemiddelings- en ontdubbelingsprocedures kent zoals de art. 6, 16 en 73 Toepassingsvo. 987/2009, maar dat art. 86 RV Pro, “in verband met het Administratief Centrum en zoals uitgewerkt in de Administratieve schikking” (u zie daaromtrent onderdelen 4.5 – 4.7 van de bijlage) wel degelijk een dialoog- en bemiddelingsprocedure bevat vergelijkbaar met de procedure van het Besluit A1 van de EU Administratieve Commissie (zie onderdelen 4.39 e.v. van de bijlage) op grond van Vo. 883/2004. Het RV enerzijds en Vo. 883/2004 en Toepassingsvo. 987/2009 anderzijds hebben volgens hem hetzelfde doel, namelijk bescherming van werknemers door coördinatie van sociale zekerheidsstelsels om hen niet te confronteren met dubbele premieheffing. Premieheffing in Nederland terwijl in Luxemburg al premies zijn betaald, zonder coördinatie tussen Nederland en Luxemburg of dialoog- en bemiddelingsprocedure ex art. 86 RV Pro acht hij onzorgvuldig en moet volgens hem tot vernietiging van de premie-aanslagen in Nederland leiden.
cotisations socialesdie onder meer bestaan uit een
Pensionkasse, i.e. een pensioenpremie die al in mindering is gekomen op het belastbare loon. Nogmaals in aanmerking nemen van die pensioenpremie leidt tot dubbele fiscale faciliëring. Ook voor verrekening van premies ziektewet en arbeidsongeschiktheid ontbreekt volgens de Staatssecretaris de grondslag, omdat onbekend is of belanghebbendes werkgever heeft afgedragen aan de fondsen voor de Luxemburgse werknemersverzekeringen.
verweerop dat de Staatssecretaris niet betwist dat Nederland de procedureregels van de artt. 6, 16 en 73 Toepassingsvo. 987/2009 en van Besluit A1 niet heeft nageleefd. De ontstane situatie is zijns inziens ‘voor het belangrijkste deel daaraan te wijten dat door de lidstaten de regels die de betrekkingen tussen sociale zekerheidsorganen van verschillende lidstaten beheersen, niet of niet volledig zijn nageleefd’. HvJ EU
Sante Pasquini(onderdeel 5.3 van de bijlage) bevestigt dat migrerende werknemers niet de dupe mogen worden van het niet (volledig) naleven van regels over de betrekking tussen sociale zekerheidsorganen van verschillende lidstaten.
incidenteeldat het Hof niet kon volstaan met verrekening van de Luxemburgse premies, maar de belanghebbende geheel had moeten verschonen van de hogere Nederlandse premies, nu ook enkelvoudige premieplicht in het hoogstheffende land zijn belangen schaadt in strijd met Vo. 883/2004 en Toepassingsvo. 987/2009 omdat hij het resterende saldo niet kan betalen. Als Nederlands sociaal verzekeringsrecht van toepassing is, dreigen volgens hem bovendien “grote terugbetalingsvorderingen van in Luxemburg eventueel verkregen uitkeringen, welke bijv. in het geval van kinderbijslag drie keer zo hoog zijn als in Nederland”, terwijl daartegenover alle termijnen zijn verlopen om in Nederland een uitkering te kunnen krijgen. Het “Europese doelmatigheidsbeginsel” (bedoeld zal zijn het doeltreffendheidsbeginsel) wordt daardoor zijns inziens met voeten getreden. De enige rechtvaardige oplossing acht hij dat Nederland niet heft en het Hof had daarom, mede gezien HvJ
Sante Pasquinien de doelstelling van Vo. 883/2004 en Toepassingsvo. 987/2009 Nederlandse premieheffing moeten uitsluiten, te meer nu de Staatssecretaris niet bestrijdt ’s Hofs vaststelling dat Nederland de artt. 6, 16 en 73 Toepassingsvo. en Besluit A1 van de Administratieve Commissie niet heeft nageleefd.
middel 1op dat (i) bij de afgifte van de E101-verklaring de aanwijsregels van Vo. (EEG) nr. 1408/71 niet golden voor de belanghebbende omdat ex art. 7(2)(a) van die verordening voor hem het RV gold, (ii) de E101-verklaring niet is afgegeven op grond van het RV, en (iii) het HvJ EU in de zaak
X en Van Dijk(zie onderdeel 5.4 van de bijlage) voor recht heeft verklaard dat Nederland niet gebonden is aan een door Luxemburg afgegeven E101-verklaring als het RV van toepassing. Hij ziet geen reden waarom het HvJ EU daar anders over zou denken onder de werking van Vo. (EG) nr. 883/2004. De Luxemburgse autoriteiten hebben bovendien op 26 augustus 2016 de Svb meegedeeld dat de E101-verklaring met terugwerkende kracht naar 1 januari 2007 is ingetrokken en vanaf die datum al geen rechtskracht meer heeft.
vanaf1 april 2012 de door de Svb afgegeven A1-verklaring geldt, waaraan de inspecteur volgens HR BNB 2019/44 (zie onderdeel 5.14 van de bijlage) is gebonden, en dat voor de periode
totdie datum een andere Svb-verklaring geldt, nl. op basis van het RV, die eveneens Nederland aanwijst en waarvoor de procedures van art. 16 basisverordening Pro en artt. 6 en 73 toepassingsverordening niet gelden. Uit r.o. 5.5.1. van HR BNB 2019/44 volgt overigens dat wat geldt voor een A1-verklaring ook geldt voor andere aanwijsverklaringen van de Svb, zodat de inspecteur en de belastingrechter ook daaraan gebonden zijn. Uit HvJ EU
Alpenrind(zie onderdeel 5.8 van de bijlage) volgt dat een A1-verklaring terug kan werken in de tijd en ook dan bindend is voor de andere lidstaten, zelfs als een andere lidstaat zichzelf al bevoegd achtte.
ad middel 1dat art. 7(2)(a) Vo. 1408/71 - dat het RV voorrang geeft op Vo. 1408/71 - niet is overgenomen in de nieuwe Vo. 883/2004 en dat, anders dan het Hof meent, uit de overgangsbepaling in art. 6(2) Rvov (zie onderdeel 4.26 van de bijlage) volgt dat een onder het oude regime op basis van het RV afgegeven E101-verklaring onder het nieuwe regime haar geldigheidsduur behoudt, zodat de Luxemburgse E101-verklaring Nederland bindt op grond van HR BNB 2019/44. In cassatie moet uitgegaan worden van ’s Hofs feitelijke aanname dat die verklaring niet is ingetrokken en die verklaring is van eerder datum dan de latere Svb-verklaringen en gaat dus vóór.
Ad middel 2betoogt hij dat het verweer van de Staatssecretaris daar volledig aan voorbij gaat en herhaalt hij zijn argumentatie in zijn beroepschrift: hij wordt dubbel belast en Nederland behoort terug te treden in plaats van achteraf (bij) te heffen en de getroffen rijnvarenden naar Luxemburg te verwijzen. Hij meent dat zich een vergelijking opdringt met het schandaal met betrekking tot de kinderopvangstoeslag. Hij geeft een meer algemene uiteenzetting over de onaanvaard-baarheid van het Nederlandse gebrek aan coördinatie vooraf en verrekening achteraf met Luxemburg en van het heen en weer gestuurd worden tussen een onwillige Svb en een onbevoegde belastingdienst, die een rechtsstaat onwaardig is en waarvoor de rechter een billijke oplossing moet bieden. Het Hof heeft daartoe een stap gezet door de Luxemburgse premies te verrekenen, maar die gaat niet ver genoeg.
principaalen verweert zich
incidenteelals volgt: de aanslagen zijn opgelegd vóór de afgifte van de A1-verklaring, zodat de inspecteur niet kan worden verweten dat voor deze aanslagen de procedures van art. 16 en Pro 73 Toepassingsvo. niet zijn gevolgd, maar zijns inziens kan überhaupt niet worden toegekomen aan toepassing van art. 73 Toepassingsvo Pro., dat op op voorlopig betaalde prestaties in geld of voorlopig betaalde premies ziet. Nu de belanghebbende heeft verzuimd zich volgens het voorschrift van art. 16(1) Toepassingsvo. te melden bij de Svb, kan per definitie geen sprake zijn van heffing van voorlopige premies zoals bedoeld in art. 73. Zijn er geen voorlopig geheven premies, dan kan men evenmin aan verrekening ex art. 73(2) Toepassingsvo. toekomen. De belanghebbende heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat - zoals art. 6 Toepassingsvo Pro. eist voor regularisering ex art. 16 Toepassingsvo Pro. - dat een meningsverschil zou bestaan tussen de Luxemburgse autoriteiten en de Svb over de toepasselijke wetgeving. De omstandigheid dat belanghebbendes werkgever werknemersverzekeringen heeft ingehouden in Luxemburg is daartoe onvoldoende. Als al sprake zou zijn van voorlopig toegepaste wetgeving, is verrekening alleen aan de orde als de definitief toe te passen wetgeving een andere is dan de voorlopig toegepaste, wat niet het geval is. Het Hof heeft art. 73 Toepassingsvo Pro. ten onrechte ook toegepast op een geval waarin de verkeerde wetgeving is toegepast en de belanghebbende in een andere lidstaat verzekerd- en premieplichtig blijkt te zijn volgens Vo. (EG) nr. 883/2004. Het incidentele beroep miskent volgens de Staatssecretaris dat uit HR BNB 2019/44 volgt dat de inspecteur en de belastingrechter aan de A1-verklaring zijn gebonden, waarmee in beginsel de verschuldigdheid van de premies vaststaat. Dat dubbele heffing is ontstaan, komt doordat de belanghebbende zich ten onrechte niet heeft gemeld bij de Svb. Het past hem dan niet om die Staat te verwijten dat de regels van de toepassingsverordening niet zijn nageleefd die zien op voorlopig geheven premies waarvan in casu geen sprake is.
principaaldat de Inspecteur vóór aanslagoplegging de Svb had moeten vragen om volgens de procedureregels van art. 16 en Pro 73 Toepassingsvo. en het besluit A1 van de Administratieve Commissie een verklaring toepasselijke wetgeving af te geven. De Inspecteur heeft ten onrechte op eigen houtje het toepasselijke sociaal verzekeringsrecht vastgesteld, wetende dat die procedureregels niet waren nageleefd, zulks in strijd met Unierecht, zoals het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten. Die procedureregels zijn wel degelijk van toepassing: als Luxemburg niet bevoegd blijkt te zijn, zijn de daar geheven premies dus voorlopig in de zin van die regels. Ook als dat anders zou zijn, meent de belanghebbende met de CRvB (zie onderdeel 5.19 van de bijlage) dat uit HvJ
Klein Schiphorst(zie onderdeel 5.6 van de bijlage) en
Sante Pasquini(zie 5.3 bijlage) volgt dat de belanghebbende niet de dupe mag worden van het niet-naleven door de betrokken lidstaten van regels die de betrekkingen tussen sociale zekerheidsorganen van verschillende lidstaten beheersen. Dat ontvangen premies niet zijn geoormerkt als voorlopig betekent niet dat lidstaten zich kunnen onttrekken aan art. 73 Toepassingsvo Pro., aldus de CRvB. Volgens de belanghebbende is er wel degelijk gemeld zoals bedoeld in art. 16 Toepassingsvo Pro., nl. door de inspecteur, die bij brief van 9 augustus 2016 de Svb heeft verzocht om ingevolge de bepalingen van art. 16(6) Toepassingsvo. een verklaring toepasselijke wetgeving af te geven. Bovendien heeft de belanghebbende zich van meet af aan bij het Luxemburgse zusterorgaan van de Svb gemeld, die ingevolge art. 81 basisverordening Pro een niet-ontvankelijke melding had moeten doorsturen. De stelling dat geen meningsverschil tussen Luxemburg en Nederland zou bestaan, acht de belanghebbende onbegrijpelijk, nu immers beide landen heffen. Overigens zijn in Luxemburg niet alleen premies werknemersverzekeringen ingehouden, maar premies voor alle sociale verzekeringen én zijn zij afgedragen, zodat zij alle voor verrekening in aanmerking komen.
incidenteeldat hoewel de A1-verklaring van de Svb op grond van HR BNB 2019/44 meebrengt dat Nederlands recht van toepassing is, dat niet betekent dat zonder meer premie geheven kan worden, nu in elk geval de Luxemburgse premies verrekend moeten worden en het EU-recht meebrengt dat alle Nederlands instanties zich moeten inspannen om de onrechtvaardigheid van dubbele belastingheffing te voorkomen. Zoals ook uit de gestelde Kamervragen volgt (zie onderdeel 3 van de bijlage), heeft de belastingdienst de menselijke maat uit het oog verloren. In de antwoorden van de regering wordt ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen Rijnvarenden onder het Rijnvarendenverdrag en Rijnvarenden onder de Verordeningen 883/2004 en 987/2009, zodat die antwoorden onjuist zijn voor de periode na 1 mei 2010.
middel 1dat de belanghebbende blijft miskennen dat voor de toepassing van het relevante RV aan een ten onrechte onder Vo. 1408/71 afgegeven E101-verklaring geen betekenis toekomt (HvJ EU
X en Van Dijk). Dat per 1 mei 2010 art. 7 Vo Pro. 1408/71 niet meer geldt, leidt niet tot een ander oordeel: een niet-bindende verklaring wordt door de vervanging van de oude Vo. 1408/71 door de nieuwe Vo. 883/2004 niet alsnog bindend. Het overgangsrecht van art. 6(2) Rvov, op grond waarvan een verklaring op basis van het RV zijn geldigheidsduur kan behouden, kan belanghebbende ook niet baten, omdat de Luxemburgse E101-verklaring geen verklaring overeenkomstig het Rijnvarendenverdrag is, zoals die bepaling eist.
middel 2meent de Staatssecretaris dat de belanghebbende eraan voorbij gaat dat scheepsexploitanten, rijnvarenden en door hun adviseurs ingeschakelde uitleenbedrijven in Luxemburg en andere landen zelf hebben gekozen voor werknemersuitlening via een elders gevestigd uitleenbedrijf aan in Nederland gevestigde scheepvaartondernemingen. Dubbele premieheffing is opgeroepen doordat slechts in één Staat (Nederland) de premieheffing ter discussie is gesteld en werkgever noch werknemer voorafgaand aan de tewerkstelling hebben gevraagd om vastlegging van de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving in een A1-verklaring. De Staatssecretaris kan zich niet aan de indruk onttrekken dat tegen beter weten in wordt gepoogd om in Luxemburg verzekerd te zijn terwijl duidelijk is dat de Nederlandse wetgeving geldt voor een rijnvarende op een schip van een in Nederland gevestigde exploitant. De 'grote woorden' van de gemachtigde verbazen hem dan ook enigszins. Mogelijke regularisatie op basis van art. 16 Toepassingsvo Pro. valt buiten het bereik van de belastingzaak: de CRvB ECLI:NL:CRVB:2019:2817 (onderdeel 5.19 van de bijlage) heeft geoordeeld (r.o. 8.7) dat de fiscus over de premieheffing volksverzekeringen gaat, maar niet bevoegd is om in overleg met (een) andere lidsta(a)t(en) te coördineren in welke lidstaat iemand verzekerings- en premieplichtig is en ook niet om een verrekening te bewerkstelligen van in een andere lidstaat reeds betaalde sociale verzekeringspremies.
4.Het principale beroep van de belanghebbende
vanaf1 april 2012 (toen de Rvov ook in e verhouding tot Zwitserland gold) en voor de periode
totdie datum een nieuwe aanwijzingsbeschikking af te geven op basis van het in de verhouding met Zwitserland toen nog gelden art. 11 RV Pro. Tussen Luxemburg en Nederland was het RV echter reeds op 1 mei 2010 vervangen door de Rvov. De discussie wordt daardoor niet steeds overzichtelijker, maar zowel het RV als het Rvov wijzen onmiskenbaar Nederland aan als bevoegd, gegeven dat onbetwist vast staat dat de scheepsexploitant al die jaren in Nederland was gevestigd.
X en Van Dijk(zie 5.4 bijlage) en HR
BNB2016/101 (zie 5.4 bijlage) volgt dat onjuiste E-verklaringen, afgegeven op basis van de niet op rijnvarenden toepasselijke oude Vo. 1408/71 andere lidstaten niet binden en dat het voorbijgaan daaraan door de bevoegde lidstaat - omdat voor rijnvarenden niet die Vo. maar alleen het RV geldt - geen strijd oplevert met het EU-loyaliteitsbeginsel of enige andere EU-rechtelijke regel. De belanghebbende betoogt dat zijn onder het RV voor aanwijzing dus irrelevante E101-verklaring na de inwerkingtreding van de nieuwe Vo 883/2004 en de nieuwe Rvov Nederland wél bindt. Ik begrijp dit betoog aldus dat de regelgevingstechniek van de nieuwe Vo. 883/2004 en de Rvov een andere is dan die van de oude Vo. 1408/71 en het oude RV: de Rvov schakelt de Verordening niet meer uit, maar alleen diens materiële aanwijsregels (art. 11 t/m 15 Vo. 883/2004), en niet de procedureregels, zodat de betekenis van de tot 1 mei 2010 voor aanwijzing irrelevante E101-verklaring na die datum beoordeeld moet worden op basis van de nieuwe procedureregels, die inhouden dat anterieure verklaringen van andere lidstaten de lidstaten binden.
naar analogievan de regularisatieprocedure op verzoek voorlopig een stelsel aangewezen moet worden, gevolgd door kennisgeving aan en overleg met de andere Staat. Dat geval doet zich in casu echter om twee redenen niet voor: (i) de belanghebbende(s werkgever) heeft geen zodanig verzoek gedaan maar is in strijd met de regels voor rijnvarenden in een lidstaat van zijn keuze gaan inhouden, en (ii) Luxemburg is geenszins van mening dat de scheepsexploitant in Luxemburg is gevestigd en dus geenszins van mening dat Luxemburg exclusief bevoegd zou zijn, zodat er geen jurisdictieconflict is dat weggenomen of gearbitreerd zou kunnen worden. Overigens zou daartoe nog steeds niet de inspecteur bevoegd zijn. Belanghebbendes probleem is een ander: dat Luxemburg zich beroept op zijn verjaringstermijn voor premierestitutie en op de onmogelijkheid binnen zijn stelsel om anders dan via de werkgever (het uitzendbureau) te restitueren (die wellicht failliet is). Daaraan heeft Nederland part noch deel.
5.Het incidentele cassatieberoep van de belanghebbende
shoppenin strijd met het RV en de Rvov. Het gaat in art. 16 Vo Pro. 883/2004 om een ander ‘belang’. De lidstaten hebben de Rvov gesloten ter voorkoming van het voortdurend wisselen van de toepasselijke wetgeving als gevolg van het voortdurend grensoverschrijdende karakter van de werkzaamheden van rijnvarenden, welke versnippering van verzekering evident niet in hun belang zou zijn.
regularisatieprocedure kan overigens slechts tot het door de belanghebbende kennelijk juist niet gewenste resultaat van exclusieve Nederlandse heffingsbevoegd leiden.
shoppen, kennelijk tegen beter weten in, want duidelijk in strijd met het RV en de Rvov, zulks, naar nu blijkt, ten koste van de werknemers.
6.Het cassatieberoep van de Staatssecretaris
niet-toepasselijke art. 13 Basisverordening Pro niet van toepassing is op rijnvarenden, en dat als dat anders zou zijn, die procedure tot geen ander resultaat kan leiden dan exclusieve Nederlandse heffingsbevoegdheid, gegeven art. 4 Rvov Pro.
Sante Pasquini(zie onderdeel 5.3 van de bijlage) lijkt mij niet relevant, nu dat om een schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel bij terugvordering van teveel betaalde pensioenuitkeringen ging: door nalatigheid van de Italiaanse autoriteiten was twaalf jaar een te hoog pensioen aan een (ex)werknemer met grensoverschrijdend arbeidsverleden betaald. Zo’n fout zou zich in een puur binnenlands geval ook kunnen voordoen, maar niet zo lang, door een beter procedure, zodat in binnenlandse verhoudingen alleen over kortere periodes teruggevorderd zou worden uit onverschuldigde betaling. Ik neem aan dat de belanghebbende het oog heeft op het gegeven dat een rijnvarende zich genoodzaakt kan zien twee procedures te voeren: een over het toepasselijke stelsel (Svb; bestuursrecht) en een over de premieheffing (belastingdienst; belastingrechter) en bij tegenstrijdige uitspraken mogelijk nog een herzieningsaanvraag (zie HR BNB 2019/44; onderdeel 5.14 bijlage), terwijl in een puur binnenlands geval maar één procedure gevolgd hoeft te worden (bij de belastingrechter). Ik meen dat in grensoverschrijdende gevallen een aanwijzingsprocedure onvermijdelijk is, gegeven dat het EU-recht aanwijzing van slechts één lidstaat eist, terwijl dat aanwijsprobleem zich in een puur binnenlands geval uit de aard der zaken niet
kanvoordoen. Dat er twee procedures nodig zijn, is dus geen procedurele discriminatie, maar een onvermijdelijk gevolg van een evident objectief verschil in situaties. Geen (EU-)rechtsregel verplicht een lidstaat om stelselaanwijzingsverklaringen en premieheffing bij dezelfde autoriteit onder te brengen, als het halen van EU-recht maar niet moeilijker is dan het halen van nationaal recht. Nu de gewone nationaalrechtelijke procedures ook voor rijnvarenden gelden, is van ongelijkwaardigheid geen sprake. Uiterst bezwaarlijk of nagenoeg onmogelijk om EU-recht te halen is het evenmin. U heeft voorzien in voorkoming van tegenstrijdige uitspraken door in HR
BNB2019/44 (zie 5.14 bijlage) te oordelen dat de belastingrechter ofwel zijn uitspraak moet uitstellen totdat de stelselaanwijzing definitief is, ofwel – als hij niet heeft gewacht – zijn uitspraak moet herzien. Dat in casu dubbele premieheffing is ontstaan, heeft niets te maken met enige ongelijkheid in procedurele mogelijkheden of terugvorderingstermijnen ten laste van rijnvarenden in Nederland. In de tweede plaats is de onjuiste premieheffing in Luxemburg veroorzaakt door onjuist handelen van belanghebbende(s) werkgever en de Luxemburgse autoriteiten, waarvoor Nederland, anders dan de Italiaanse overheid in de zaak
Sante Pasquini, geen verantwoordelijk kan worden toegedicht.