Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende exploiteerde samen met zijn echtgenote een nertsenfokkerij en was aanmerkelijkbelanghouder in een BV. In het kader van een inkeerregeling meldde hij verzwegen inkomsten uit 2008 die via een Luxemburgse bankrekening werden ontvangen.
De inspecteur legde een navorderingsaanslag op met correcties in box 1 en box 3, en een vergrijpboete van 30%. Het geschil betrof de toepassing van de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar voor in het buitenland opgekomen inkomsten.
De rechtbank oordeelde dat de verzwegen inkomsten, hoewel de nertsen in Nederland werden gehouden, als in het buitenland opgekomen inkomen gelden omdat de betalingen rechtstreeks op een buitenlandse bankrekening plaatsvonden. De verlengde navorderingstermijn is daarom van toepassing en de navorderingsaanslag terecht opgelegd.
Belanghebbende stelde ook schending van het nemo-teneturbeginsel en zwijgrecht, maar dit werd verworpen omdat de box 1-correctie geen strafrechtelijke sanctie vormt. De opgelegde boete werd passend geacht, maar wegens een overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee jaar werd deze met 10% verminderd.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de boete verminderd tot €4.635 en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de vergrijpboete met 10% verminderd tot €4.635.