Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft bezwaren van belanghebbende tegen uitspraken van de inspecteur inzake belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en ambtshalve teruggaaf van BPM inclusief rentevergoeding. De bezwaren zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn, hetgeen niet in geschil is.
De inspecteur verleende ambtshalve teruggaaf van BPM en vergoedde belastingrente op grond van artikel 30ha van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Belanghebbende vordert een hogere rentevergoeding en stelt dat artikel 28c van de Invorderingswet 1990 onverbindend is vanwege Unierechtelijke gronden.
De rechtbank oordeelt dat zij niet bevoegd is om over het verzoek tot aanvullende rentevergoeding te beslissen, omdat alleen de ontvanger bevoegd is om hierover een beschikking te geven. Dit volgt uit nationale wetgeving en wordt bevestigd door jurisprudentie van de Hoge Raad. Het Unierecht verplicht niet tot een andere bevoegdheidsverdeling. De rechtbank verklaart de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond en wijst het verzoek om meer rentevergoeding af wegens onbevoegdheid.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en is niet bevoegd om uitspraak te doen over het verzoek om aanvullende rentevergoeding.