Belanghebbende had tegen meerdere voldoeningen op aangifte van BPM bezwaar gemaakt met verzoeken om teruggaaf en rentevergoeding. De inspecteur had in de bezwaarfase weliswaar deels tegemoetgekomen, maar niet volledig aan de bezwaren voldaan en had de belanghebbende niet gehoord, wat een schending van de hoorplicht opleverde.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet mocht afzien van het horen van belanghebbende omdat niet volledig aan het bezwaar was voldaan. Daarom worden de uitspraken op bezwaar vernietigd en wordt de inspecteur opgedragen opnieuw te beslissen, waarbij belanghebbende alsnog gehoord moet worden.
Ten aanzien van de rentevergoeding over de teruggaaf is vastgesteld dat belanghebbende recht heeft op rente op grond van artikel 30ha AWR, maar de rechtbank is onbevoegd om uitspraak te doen over een hogere rentevergoeding op grond van artikel 28c Invorderingswet, waarvoor de ontvanger bevoegd is.
Verzoeken om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn worden afgewezen omdat de vertraging grotendeels is veroorzaakt door een door belanghebbende aanvaarde aanhouding van de zaken. De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak is gedaan door rechter M.R.T. Pauwels op 3 augustus 2018 en is openbaar.