Belanghebbende kreeg een navorderingsaanslag successierecht opgelegd omdat de inspecteur aannam dat erflaatster vermogen in het buitenland bezat. Deze aannames waren gebaseerd op becijferingen van een IB-inspecteur, die gegevens had ontvangen van familieleden van belanghebbende. De inspecteur kon de onderliggende gegevens echter niet overleggen omdat hij deze niet zelf bezat.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur niet verplicht was om gegevens te overleggen die hij niet had. Desondanks was de inspecteur er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat erflaatster op de overlijdensdatum buitenlandse banktegoeden aanhield. De rechtbank vond de becijferingen onvoldoende inzichtelijk en toetsbaar.
Ook als de onderliggende gegevens wel hadden moeten worden ingebracht, zou de navorderingsaanslag vernietigd worden omdat belanghebbende had verzocht zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur voldoende gelegenheid had gehad om de stukken te overleggen en dat de navorderingsaanslag daarom niet stand kon houden.
De rechtbank veroordeelde de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en wees terugwijzing naar de inspecteur af. De uitspraak is gedaan door rechter W.A.P. van Roij op 30 augustus 2018.