Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in Nederland in 2013, diende twee aangiften IB/PVV in met verschillende bedragen aan betaalde alimentatie, waarbij in beide gevallen de alleenstaande ouderkorting werd geclaimd. De inspecteur corrigeerde de alleenstaande ouderkorting en legde de aanslag op op basis van de eerste aangifte, waarbij de aftrek voor alimentatie hoger was dan wettelijk toegestaan.
Belanghebbende stelde dat de inspecteur de tweede, hogere aangifte moest volgen en dat het beroep van de inspecteur op interne compensatie faalde vanwege schending van de onderzoeksplicht en het vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelde dat de onderzoeksplicht niet relevant is voor de vraag of interne compensatie mogelijk is en dat er geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel omdat belanghebbende de aftrekposten niet uitdrukkelijk en gemotiveerd had voorgelegd.
De rechtbank stelde vast dat de compensatieuitkering volgens het echtscheidingsconvenant als alimentatie kan worden aangemerkt en dat de inspecteur terecht interne compensatie toepaste. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2013 wordt gehandhaafd.