Belanghebbende, erfgenaam van een nalatenschap, betwistte de door de inspecteur vastgestelde erfbelastingaanslag. De discussie betrof de waarde van de woning, de toepassing van fictieve verkrijgingen wegens schuldig gebleven schenkingen inclusief rente, en de vraag of de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van toepassing was.
De inspecteur baseerde de aanslag op de WOZ-waarde van de woning van €403.000, terwijl belanghebbende een lagere waarde van €253.000 aanvoerde. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht de WOZ-waarde hanteerde, mede omdat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde van verhuur die tot een lagere waarde zou leiden en bezwaar tegen de WOZ-waarde ongegrond was verklaard.
Ten aanzien van de fictieve verkrijging stelde de rechtbank vast dat de schenkingen schuldig waren gebleven en dat de erflater tot zijn overlijden het genot had van deze bedragen zonder de verschuldigde rente te betalen. De door belanghebbende overgelegde betalingsbewijzen waren onvoldoende overtuigend. Hierdoor werd de fictieve verkrijging inclusief rente correct door de inspecteur in aanmerking genomen.
De rechtbank verwierp het beroep op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit omdat deze alleen geldt voor ondernemingsvermogen, wat hier niet aan de orde was. Het beroep werd gegrond verklaard voor het bedrag van de fictieve verkrijging, waardoor de aanslag werd verminderd tot een verkrijging van €140.899. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van €999 en het betaalde griffierecht van €46 werd aan belanghebbende vergoed.