Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 29 maart 2013, nr. AWB 12/6433, betreffende een aan
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in het recht van successie.
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
,zoals dat bij een verkrijging in 2009 het geval zou zijn geweest bij toepassing van de faciliteit. Tussen partijen was niet in geschil dat de faciliteit, gezien de verkoop van de aandelen in 2010, terecht niet is geëffectueerd.
.Voorts heeft de Rechtbank geoordeeld dat de wetgever met de verruiming van de faciliteit tot 75% met ingang van 2007 de hem toekomende ‘wide margin of appreciation’ heeft overschreden en dat voor de hierdoor ontstane ongelijke behandeling van gelijke gevallen geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat
,zodat sprake is van onaanvaardbare discriminatie als bedoeld in artikel 26 IVBPR Pro respectievelijk artikel 14 EVRM Pro. De Rechtbank heeft dit oordeel gebaseerd op de volgende omstandigheden: (i) rechtens wordt geen onderscheid gemaakt tussen het wel of niet aanwezig zijn van liquiditeitsproblemen als gevolg van de heffing van successie- of schenkingsrecht over ondernemingsvermogen, (ii) uit niets is gebleken dat die liquiditeitsproblemen zich ook feitelijk voordoen, (iii) er wordt in individuele gevallen geen enkele toets aangelegd of feitelijk van liquiditeitsproblemen sprake is, terwijl niet is gemotiveerd waarom dat niet mogelijk zou zijn, en (iv) de hoogte van de vrijstelling.