Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende verstrekte in 2011 twee geldleningen aan een vennootschap waarin hij middellijk een aanmerkelijk belang heeft. De lening viel onder de terbeschikkingstellingsregeling van de Wet inkomstenbelasting 2001. De inspecteur stelde dat sprake was van een onzakelijke lening omdat belanghebbende een debiteurenrisico liep dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen.
De rechtbank stelde vast dat de vennootschap een negatief ondernemingsvermogen had en dat er geen zekerheden waren gesteld bij de lening. Ondanks dat er terugbetalingen plaatsvonden, was de financiële situatie van de vennootschap onzeker en was het aannemelijk dat een onafhankelijke derde het debiteurenrisico niet zou hebben genomen. Belanghebbende verstrekte de gelden in de hoedanigheid van aandeelhouder, niet als schuldeiser.
Daarmee was de lening onzakelijk en mocht de afwaardering niet ten laste van het resultaat worden gebracht. Het beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard en de afwaardering van de lening mag niet ten laste van het resultaat worden gebracht.