De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een verzorgingshuis vast en legde aanslagen onroerende-zaakbelasting op, waarbij 60,55% van de waarde werd toegerekend aan woondoeleinden. Belanghebbende betwistte dat de gangen op de tweede en derde verdieping als woning dienen, omdat deze mede worden gebruikt voor zorgverlening.
De rechtbank overwoog dat de eigen kamers van bewoners wel als woning dienen, maar de gangen, die ook door zorgpersoneel worden gebruikt, niet volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Dit volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hierdoor is het verzorgingshuis niet in hoofdzaak een woning in de zin van artikel 220a Gemeentewet.
Verder werd het bezwaar tegen de aanslag gebruikersbelasting ongegrond verklaard, maar de rechtbank verhoogde de kostenvergoeding voor het taxatierapport en rechtsbijstand tot €1.398,80, omdat meerdere onroerende zaken met verschillende waarderingsmethoden aan de orde waren, zonder dat dit een hogere wegingsfactor dan 1,5 rechtvaardigde.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor zover het de kostenvergoeding betrof en ongegrond voor het overige, en vernietigde de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de kostenvergoeding.