Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende kreeg in december 2004 onvoorwaardelijk optierechten toegekend, die hij op 6 juni 2005 civielrechtelijk uitoefende. De daadwerkelijke uitbetaling van het optievoordeel vond pas in 2012 plaats na diverse gerechtelijke procedures. De inspecteur legde voor 2012 een aanslag op waarin het volledige optievoordeel werd belast.
De rechtbank stelt vast dat het overgangsrecht van artikel 36 Wet Pro LB van toepassing is en dat het begrip uitoefening in artikel 10a Wet LB civielrechtelijk moet worden uitgelegd. Omdat de uitoefening binnen drie jaar na toekenning plaatsvond, is het optievoordeel kortlopend en belastbaar. Het genietingstijdstip volgens artikel 13a Wet LB is echter het moment waarop het loon daadwerkelijk inbaar is, hier in 2012.
Belanghebbende betoogde dat alleen de waardestijging tussen toekenning en uitoefening belast moet worden en dat het netto-optievoordeel moet gelden, maar de rechtbank verwierp deze standpunten. De aanslag is niet te hoog en de belastingrente blijft gehandhaafd. Wel is het beroep gegrond verklaard voor een kostenvergoeding van €1.788 en teruggave van het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor de kostenvergoeding, maar de aanslag inkomstenbelasting over 2012 wordt bevestigd.