Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was eigenrisicodrager voor de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) tot 31 december 2016. De inspecteur beëindigde het eigenrisicodragerschap per 1 januari 2017 omdat de vereiste garantieverklaring niet tijdig was ingediend. De garantieverklaring werd pas in februari 2017 ontvangen, waardoor de inspecteur de beëindiging handhaafde. Belanghebbende stelde beroep in tegen deze beslissing.
De rechtbank beoordeelde de wettelijke bepalingen uit de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat de termijn voor het indienen van de garantieverklaring een fatale termijn is. Dit betekent dat de inspecteur geen beleidsvrijheid heeft om hiervan af te wijken, ook niet op grond van het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende en oordeelde dat de inspecteur de beschikking terecht heeft genomen.
Belanghebbende voerde nog aan dat de inspecteur in andere gevallen soepeler was met de vorm van de garantieverklaring en dat het gelijkheidsbeginsel zou moeten gelden. De rechtbank vond deze situaties niet vergelijkbaar en wees deze argumenten af. Ook het beroep op onvoldoende motivering van de uitspraken op bezwaar faalde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van het eigenrisicodragerschap per 1 januari 2017.