Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbenden verkregen op 18 december 2014 een onroerende zaak die oorspronkelijk als woning was gebouwd. Over de verkrijging werd aanvankelijk overdrachtsbelasting van 2% betaald. De Belastingdienst legde echter naheffingsaanslagen op tegen het hogere tarief van 6%, stellende dat de onroerende zaak geen woning meer was vanwege het ontbreken van dakbedekking, deuren en ramen.
De rechtbank stelt vast dat het ontbreken van deze elementen niet afdoet aan de aard van het bouwwerk als woning. De onroerende zaak is nog steeds een gebouw dat naar zijn aard bestemd is voor bewoning, ook al is het op het moment van overdracht niet geschikt voor bewoning. De rechtbank volgt hierbij de jurisprudentie van de Hoge Raad en de conclusie van de Advocaat-Generaal dat ook sloop-, strip- en cascowoningen onder het lage tarief kunnen vallen.
De rechtbank vernietigt daarom de naheffingsaanslagen en gelast de inspecteur het betaalde griffierecht aan belanghebbenden te vergoeden. Vergoeding van overige proceskosten wordt afgewezen omdat deze niet in de bezwaarfase waren aangevraagd.
De uitspraak bevestigt dat de kwalificatie van een woning voor overdrachtsbelasting primair afhangt van de oorspronkelijke bouwkundige aard en bestemming, en niet van de huidige staat of geschiktheid voor bewoning.
Uitkomst: De naheffingsaanslagen overdrachtsbelasting worden vernietigd omdat de onroerende zaak ondanks bouwkundige gebreken kwalificeert als woning.