Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
- draagt de griffier op griffierecht te heffen van € 50;
- houdt verdere beslissing aan.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vraag centraal of een rechtspersoon met één bestuurder succesvol een beroep kan doen op betalingsonmacht ter zake van het verschuldigde griffierecht van €333. De rechtbank beoordeelt dat niet alleen het inkomen en vermogen van de rechtspersoon relevant zijn, maar ook dat van de aandeelhouder(s) en/of bestuurder(s).
Belanghebbende heeft aangevoerd geen inkomen of vermogen te hebben om het griffierecht te voldoen. Uit de overgelegde uitkeringsspecificatie blijkt dat het netto-inkomen van de enige bestuurder €50 hoger is dan de 90%-norm die de Hoge Raad hanteert voor natuurlijke personen. De rechtbank nuanceert deze norm voor rechtspersonen, aansluitend bij jurisprudentie van Rechtbank Noord-Nederland, en bepaalt dat er minimaal griffierecht geheven moet worden ter hoogte van het bedrag dat een natuurlijke persoon zou betalen.
De rechtbank wijst het verzoek om uitstel van de zitting af vanwege onvoldoende onderbouwing en constateert dat belanghebbende niet is verschenen. De griffier wordt opgedragen €50 griffierecht te heffen. De verdere beslissing wordt aangehouden, en bij niet-tijdige betaling kan het beroep alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard.
Uitkomst: De rechtbank legt een gematigd griffierecht van €50 op en houdt de verdere beslissing aan.