Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 5 maart 2019 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Procesverloop
- het besluit van 5 oktober 2016 van de SVB (zaaknummer BRE 16/8577 BESLU);
- de weigering van de SVB om een besluit te nemen (BRE 17/546 BESLU);
- de weigering van de SVB om een besluit te nemen (BRE 17/5352 BESLU).
Overwegingen
- besloten om de Luxemburgse instantie te benaderen om een overeenkomst te sluiten voor de periode van 1 januari 2005 tot en met 28 februari 2008;
- bepaald dat regularisatie niet nodig/mogelijk is voor de periode van 1 maart 2008 tot en met 23 juli 2009, omdat aan eiser in die periode geen aanslag is opgelegd in Nederland;
- het regularisatieverzoek afgewezen voor de periode van 24 juli 2009 tot en met 31 december 2011.
(periode van 24 juli 2009 tot 1 mei 2010)
(periode van 1 mei 2010 tot en met 31 december 2011)
- binnen 14 dagen een beslissing te nemen op het regularisatieverzoek;
- eiser een immateriële schadevergoeding van € 7.000,- toe te kennen op grond van artikel 6 EVRM Pro.
niet-ontvankelijkworden verklaard, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door de SVB. Het beroep in die zaak zal
gegrondworden verklaard, voor zover het is gericht tegen het besluit van 31 januari 2017. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. De rechtbank zal de SVB veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512, en wegingsfactor 1).
ongegrondworden verklaard. Voor een (aanvullende) proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
ongegrondworden verklaard. Voor een (aanvullende proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
- verklaart het beroep in de zaak 17/546 niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door de SVB;
- verklaart het beroep in de zaak 17/546 gegrond, voor zover het is gericht tegen het besluit van 31 januari 2017;
- vernietigt het besluit van 31 januari 2017;
- draagt de minister/SVB op binnen 13weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- verklaart het beroep in de zaak 16/8577 ongegrond;
- verklaart het beroep in de zaak 17/5352 ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- draagt de SVB op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de SVB in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.