ECLI:NL:CRVB:2017:2634
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van weigering tot starten regularisatieprocedure op grond van artikel 13 Rijnvarendenverdrag
Betrokkene was van 1 januari 2005 tot 30 september 2009 in dienst bij een Luxemburgse werkgever die premies afdroeg voor sociale verzekeringen in Luxemburg. Betrokkene verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om bevestiging dat hij voor de periode 1 januari tot 30 september 2009 uitsluitend in Luxemburg verzekerd was en geen Nederlandse premies verschuldigd was. De Svb weigerde een regularisatieprocedure te starten op grond van artikel 13 van Pro het Rijnvarendenverdrag.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, maar verklaarde het beroep tegen het tweede besluit gegrond en bepaalde dat de Svb het verzoek in behandeling moest nemen. De Svb en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gingen in hoger beroep tegen dit oordeel.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de Svb een discretionaire bevoegdheid heeft om een regularisatieprocedure te starten en dat weigeringen marginaal getoetst moeten worden. De rechtbank heeft volgens de Raad een onjuiste toetsingsmaatstaf gehanteerd door niet te beoordelen of er voldoende bijzondere omstandigheden waren om de procedure te starten. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.
Daarnaast wijst de Raad het incidenteel hoger beroep van betrokkene af, die stelde dat de E106-verklaring doorslaggevend was. De Raad benadrukt dat de beoordeling ziet op de weigering tot starten van een regularisatieprocedure en niet op de vraag of de toepassing van de wetgeving van een lidstaat juist was. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en de weigering tot starten van de regularisatieprocedure blijft in stand.