Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
- de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 2.000;
- de proceskosten van belanghebbende van € 640;
- het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333;
2.Gronden
In die gevallen eindigt de voor de berechting in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn, (i) indien de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart: op het moment van de uitspraak waarbij de rechtbank die beslissing neemt, mits tegen die uitspraak niet tijdig beroep in cassatie wordt ingesteld of die uitspraak in cassatie stand houdt (…).” Betoogd kan worden dat de onderhavige situatie onder situatietype (i) valt, aangezien het verzet ongegrond is verklaard, tegen die ongegrondverklaring als zodanig geen cassatieklachten zijn gericht, en de verzetuitspraak niet is vernietigd op het punt van de ongegrondverklaring. Voor dit betoog is ook steun te vinden in de omstandigheid dat de onderhavige situatie niet goed onder het alternatieve situatietype (ii) valt te scharen
(“(ii) indien het verzet gegrond wordt verklaard, hetzij door de rechtbank hetzij door de Hoge Raad: ten tijde van de uitspraak die de rechtbank vervolgens doet nadat zij het onderzoek op de voet van artikel 8:55, lid 9, Awb heeft voortgezet.”). Hier is immers geen sprake van voortzetting van het onderzoek als bedoeld in artikel 8:55, negende lid, van de Awb (want er is geen sprake van een gegrond verzet) maar alleen van een verwijzing om te beslissen op het verzoek om immateriëleschadevergoeding.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;