Belanghebbende, woonachtig in Nederland, werkte als MD/CEO binnen een internationale groep met activiteiten in Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Hij had een arbeidsovereenkomst met een Nederlandse Limited, die een management service agreement sloot met een Duitse dochtermaatschappij (GmbH 1). De Duitse belastingautoriteiten beschouwden GmbH 1 als economisch werkgever en hielden loonbelasting in over de in Duitsland verrichte werkzaamheden.
De inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting 2014 op waarbij de aftrek elders belast inkomen (EBI) slechts gedeeltelijk werd toegekend. Belanghebbende stelde beroep in tegen deze aanslag. De kern van het geschil was of GmbH 1 als materieel werkgever kon worden aangemerkt en of het loon dat belanghebbende ontving ten laste van GmbH 1 kwam, wat bepalend is voor het heffingsrecht volgens het belastingverdrag Nederland-Duitsland.
De rechtbank volgde een dynamische interpretatie van het OESO-commentaar bij het modelverdrag en concludeerde dat er sprake is van een gezagsverhouding tussen belanghebbende en GmbH 1. De loonkosten, hoewel feitelijk door de Limited betaald, zijn doorbelast aan GmbH 1 via de management service agreement. Daarmee is GmbH 1 materieel werkgever en heeft Nederland geen heffingsrecht over het loon voor de in Duitsland verrichte werkzaamheden.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en stelde de aanslag vast op een belastbaar inkomen van €406.090 met een aftrek EBI berekend naar een inkomen van €219.441. Tevens werden de belastingrente verminderd en de proceskosten aan belanghebbende toegekend.