ECLI:NL:HR:2006:AZ3169
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt heffingsrecht Nederland bij uitzending personeel naar Duitsland niet van Duitse werkgever
Belanghebbende was in 1999 in dienst bij een Nederlandse vennootschap binnen een internationaal concern en werd voor 13 dagen uitgezonden naar een Duitse zustermaatschappij. De Nederlandse BV betaalde het salaris aan belanghebbende en bracht de Duitse zustermaatschappij een vaste vergoeding per dag in rekening.
De Inspecteur legde een aanslag op waarbij rekening werd gehouden met een aftrek elders belast voor inkomsten uit Noorwegen. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd met een aftrek voor inkomsten uit Noorwegen en Duitsland. De Staatssecretaris stelde daartegen cassatieberoep in.
De Hoge Raad oordeelde dat de Duitse zustermaatschappij als werkgever moet worden aangemerkt in de zin van het belastingverdrag Nederland-Duitsland, omdat belanghebbende in Duitsland onder gezag van die zustermaatschappij werkte en de loonkosten door de Nederlandse BV aan de Duitse zustermaatschappij werden doorbelast. Hierdoor heeft Nederland geen heffingsrecht over dat loon. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en de Minister van Financiën veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en Nederland heeft geen heffingsrecht over het loon dat belanghebbende ontving van de Duitse zustermaatschappij.