ECLI:NL:HR:2006:AT3932
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen heffingsrecht Nederland bij uitzending personeel naar Duitsland
Belanghebbende, een in Nederland gevestigde vennootschap, maakte deel uit van een groep waartoe ook een in Duitsland gevestigde GmbH behoorde. Nederlandse werknemers werkten tijdelijk in Duitsland onder leiding van Nederlandse projectleiders voor de GmbH. Het loon werd door belanghebbende uitbetaald en vervolgens doorbelast aan de GmbH.
De Inspecteur legde een naheffingsaanslag loonbelasting op, die door het Hof werd vernietigd omdat volgens het Hof de GmbH als werkgever moest worden aangemerkt en Nederland op grond van het belastingverdrag met Duitsland geen heffingsrecht had over het loon.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof dat de GmbH als werkgever geldt omdat de werkzaamheden onder haar gezag en voor haar rekening en risico werden verricht en de loonkosten aan haar werden doorbelast. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de Minister van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bevestigd.