Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 26 maart 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Feiten
Beroepsgronden
Wettelijk kader
Beoordeling
Conclusie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser ontving tot eind 2016 een WAO- en WAZ-uitkering en had daarnaast inkomsten als zelfstandige. Het UWV stelde vast dat eiser in 2016 een te hoge uitkering had ontvangen en vorderde dit bedrag terug. Na bezwaar werd het terug te vorderen bedrag verlaagd op basis van een nieuwe berekening.
Eiser voerde aan dat zijn maatmaninkomen in 2002 te laag was vastgesteld omdat een loonaandeel in een B.V. niet als loon was meegenomen. De rechtbank overwoog dat het maatmaninkomen gebaseerd moet zijn op feitelijk genoten loon over een langere periode. Omdat eiser dit loon niet daadwerkelijk had genoten, maar in de B.V. had gelaten, was het terecht niet meegenomen.
De rechtbank volgde de vaste rechtspraak dat fiscale keuzes van eiser bindend zijn en dat het UWV voldoende heeft geïnformeerd over de berekening van het maatmaninkomen. Omdat geen andere gronden tegen de terugvordering zijn aangevoerd, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van de arbeidsongeschiktheidsuitkering over 2016 wordt ongegrond verklaard.