Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2015 en 2016, specifiek tegen de box 3-heffing. Hij stelde dat deze heffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM vanwege het niet meer in redelijke verhouding staan tot het werkelijke rendement op spaarsaldi. Daarnaast stelde hij dat de heffing voor hem een individuele en buitensporige last vormt.
De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2019, waarin werd geoordeeld dat voor 2013 en 2014 het forfaitaire rendement van 4% niet meer realistisch was en dat een schending van artikel 1 EP Pro op stelselniveau alleen aanleiding geeft tot rechterlijk ingrijpen bij een individuele buitensporige last. Voor 2015 en 2016 volgt de rechtbank dezelfde lijn en constateert dat de wetgever sinds het arrest stappen heeft gezet om het rechtstekort te adresseren.
De rechtbank beoordeelt vervolgens de individuele situatie van belanghebbende, waarbij rekening is gehouden met zijn totale financiële situatie, inclusief inkomen uit werk en woning, vermogen en beleggingsmogelijkheden. Belanghebbende slaagt er niet in aannemelijk te maken dat hij zwaarder wordt getroffen dan vergelijkbare belastingplichtigen. Zijn argumenten over risicomijdendheid en lage rente leiden niet tot een individuele buitensporige last.
Daarom verklaart de rechtbank de beroepen ongegrond en legt geen proceskostenveroordeling op. De uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, mr. C.A.F.M. Stassen en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken op 28 mei 2020.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de box 3-heffing over 2015 en 2016.