Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Overwegingen
2.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) over 2016, met name tegen de premiecomponent WGA-lasten vaste dienstbetrekkingen. Zij stelde dat de WGA-uitkering die in 2014 door het UWV aan een ex-werknemer was betaald, buiten beschouwing moest blijven bij de berekening van deze premiecomponent.
De rechtbank oordeelde dat de door belanghebbende aangevoerde jurisprudentie van het Gerechtshof Amsterdam haar niet kon helpen, omdat deze uitspraak door de Hoge Raad was vernietigd. Belanghebbende voerde tevens aan dat er sprake was van een no-riskpolis volgens artikel 29, tweede lid, onderdeel g, juncto artikel 29b van de Ziektewet, waardoor de WGA-uitkering niet ten laste van de Werkhervattingskas zou komen. Deze stelling werd niet aannemelijk gemaakt.
De rechtbank stelde vast dat de ex-werknemer in kwestie geen recht had op ziekengeld op grond van artikel 29b Ziektewet, omdat hij vanuit een ID-baan was gestart en de voorwaarden voor de no-riskpolis niet waren vervuld. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van hernieuwde arbeidsongeschiktheid die recht op ziekengeld zou geven.
Daarmee was de WGA-uitkering terecht meegenomen in de berekening van de premiecomponent WGA-lasten vaste dienstbetrekkingen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de berekening van de premiecomponent WGA-lasten vaste dienstbetrekkingen 2016 wordt ongegrond verklaard.