Belanghebbende, een werkgever, had een arbeidsgehandicapte werknemer die niet ziek is gemeld bij het UWV en gedurende de wachttijd het loon heeft doorbetaald zonder beroep te doen op de no-riskpolis. Het UWV betaalde daarom geen ziekengeld en compenseerde de loondoorbetaling niet. De Inspecteur stelde de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas vast waarbij de WGA-uitkering ten laste van de kas werd gebracht. De rechtbank vernietigde deze beschikking en stelde belanghebbende in het gelijk.
De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 117b, derde lid, onder c, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), met name of het recht op ziekengeld vereist dat dit recht ook daadwerkelijk is vastgesteld en geclaimd bij het UWV. Het hof oordeelde dat de tekst duidelijk is en dat het recht op ziekengeld niet afhankelijk is van daadwerkelijke uitbetaling of aanvraag, maar dat het bestaan van het recht op zich voldoende is.
Het hof verwierp de stelling van de Inspecteur dat alleen een door het UWV vastgesteld recht meetelt en dat een aanvraag noodzakelijk is. Ook stelde het hof dat de Inspecteur moet zorgen voor een oordeel van het UWV dat het recht bestaat, zodat dit in de beschikking kan worden verwerkt en aan de rechter kan worden voorgelegd. De e-mail van het UWV bevestigde dat het recht op ziekengeld bestond, maar dat dit niet meer geëffectueerd kon worden vanwege termijnoverschrijdingen.
Het hof concludeerde dat de WGA-uitkering ten onrechte ten laste van de Werkhervattingskas is gebracht en dat het gedifferentieerd premiepercentage daardoor te hoog is vastgesteld. Het hoger beroep van de Inspecteur werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.