Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 19 juni 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser1]en
[eiser2], te [plaatsnaam] , eisers,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de gemeente Veere inzake hun Wob-verzoek om informatie over vergunningaanvragen in 2015 en 2016. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting verricht en de behandeling aangehouden wegens samenhang met andere procedures. Na een tussenuitspraak is de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld om gebreken in het besluit te herstellen en stukken in te dienen, waarbij een verzoek om geheimhouding werd toegekend.
De heffingsambtenaar beriep zich op het gemeentelijk privacybeleid en het belang van bescherming van persoonsgegevens van medewerkers die geen openbare functie bekleden. De rechtbank oordeelde dat dit beleid in lijn is met jurisprudentie en dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat openbaarheid van namen van ambtenaren zwaarder weegt dan het privacybelang. De rechtbank stelde vast dat het motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek was hersteld.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het gebrek was hersteld. Tevens werd het griffierecht aan eisers vergoed en de heffingsambtenaar veroordeeld in proceskosten. De redelijke termijn was met vijf maanden overschreden, waarvoor een immateriële schadevergoeding van €500 werd toegekend aan eisers.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, en eisers ontvangen een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.