Belanghebbende, enig aandeelhouder van een vennootschap, had een oplopende rekening-courantschuld bij zijn vennootschap die hij gebruikte voor levensonderhoud en betaling van belastingschulden. De rechtbank acht aannemelijk dat de verstrekte gelden niet meer worden terugbetaald en derhalve een definitieve onttrekking vormen die als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang moet worden beschouwd.
De inspecteur legde een vergrijpboete van 50% op wegens het opzettelijk niet doen van aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2016. Belanghebbende voerde aan de boete te vernietigen wegens niet-ontvangst van vooraankondigingsbrieven en onduidelijkheid op de aanslag, en verzocht subsidiair matiging naar 25%.
De rechtbank verwerpt deze bezwaren, stelt dat de brieven geacht worden te zijn ontvangen, en dat de boete passend en geboden is. Wel wordt de boete ambtshalve met 10% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar voor behandeling van de zaak. De aanslag en boete zijn niet te hoog vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard met een vermindering van de boete tot € 8.229.