Belanghebbende kreeg een beschikking opgelegd voor de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) 2018, waarbij WGA- en ZW-lasten werden toegerekend op basis van uitkeringen aan ex-werknemers in 2016. Belanghebbende betwistte dat een WGA-uitkering aan een ex-werknemer bij de premiecomponent WGA-lasten mocht worden betrokken, verwijzend naar een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam die inmiddels door de Hoge Raad was vernietigd.
Voor de premiecomponent ZW-lasten betwistte belanghebbende dat een Ziektewet-uitkering aan een ex-werknemer, mevrouw [A], ten laste van de Werkhervattingskas mocht komen omdat zij bij aanvang van haar dienstverband recht had op een WIA-uitkering en daarmee onder de no-riskpolis viel. De rechtbank achtte dit aannemelijk en oordeelde dat de ZW-uitkering aan mevrouw [A] buiten beschouwing moest blijven bij de premiecomponent ZW-lasten.
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, stelde de premiecomponent ZW-lasten vast op 0,24% in plaats van 0,44%, en verminderde de totale Whk-premie voor 2018 tot 1,06%. Tevens veroordeelde zij de inspecteur tot vergoeding van proceskosten aan belanghebbende. Het beroep werd gegrond verklaard, waarbij het derde geschilpunt over de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet meer hoefde te worden behandeld.