Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.1. FeitenOp grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.BeroepsgrondenEiser stelt dat verweerder de aanvragen ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit volgens hem verkregen, omdat hij de kinderen heeft erkend. Dat hij bigaam is gehuwd met de moeder van de kinderen doet daar naar het oordeel van eiser niets aan af. Een erkenning is een rechtshandeling die daar los van moet worden gezien. Daar heeft eiser aan toegevoegd dat het niet in behandeling nemen van de aanvragen in strijd is met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Eiser heeft mogen vertrouwen op mededelingen van de Nederlandse ambassade in Marokko (Rabat) en de gemeente [naam woonplaats] . Zij hebben eiser medegedeeld dat de kinderen door erkenning de Nederlandse nationaliteit zouden krijgen. Daarnaast is het bestreden besluit volgens eiser in strijd met het motiveringsbeginsel. Verweerder heeft namelijk een uitspraak van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:942) aan haar beslissing ten grondslag gelegd, die niet van toepassing is op onderhavig geschil. De uitspaak ziet op kinderen die zijn geboren gedurende een bigaam huwelijk en waarbij één van de huwelijken is ontbonden. Het rechtsfiguur ‘erkenning’ komt ook niet in de uitspraak voor. Het is volgens eiser van belang dat de kinderen in Nederland komen wonen, omdat mensenrechten worden geschonden in het gebied waar zij nu wonen. Eiser wil de kinderen een goede toekomst bieden en voor hen zorgen. Daar is een Nederlands paspoort voor nodig. Aan het voorgaande heeft eiser toegevoegd dat hij recht heeft op godsdienstvrijheid en dat zijn godsdienst het toelaat dat hij gehuwd is met twee vrouwen.
3.Wettelijk kader
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- vernietigt het primaire besluit;
- draagt verweerder op binnen 4 weken nadat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen een nieuw besluit te nemen op de aanvragen van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1024,- .