Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft zijn eigen woning volledig uit eigen middelen gefinancierd, maar bracht in zijn aangiften over 2010 tot en met 2014 een eigenwoningschuld en rentebedragen in aftrek die niet reëel waren. De inspecteur corrigeerde deze posten en legde navorderingsaanslagen en vergrijpboeten op wegens het doen van onjuiste aangiften. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende bewust een gefingeerde schuld en rentekosten opvoerde en daarmee te kwader trouw handelde.
De rechtbank beoordeelt de ontvankelijkheid van de beroepen en constateert dat sommige bezwaren te laat zijn ingediend en daarom niet-ontvankelijk zijn verklaard. Voor de jaren 2011 en 2013 is de bewijslast voor de hoogte van de boete bij belanghebbende gelegd, voor 2010 en 2014 bij de inspecteur. De rechtbank oordeelt dat de boetes terecht zijn opgelegd, maar matigt deze vanwege overschrijding van de redelijke termijn met 10 tot 20 procent.
Verder oordeelt de rechtbank dat de navorderingsgrond op grond van artikel 16 AWR Pro geldt omdat belanghebbende wist dat hij geen schuld had en toch rente aftrok. De verzoeken om ambtshalve herziening van verliesverrekening 2008 en 2009 worden deels gegrond verklaard om een formele reden, zonder inhoudelijke beoordeling. De rechtbank gelast vergoeding van het betaalde griffierecht aan belanghebbende.
Uitkomst: De navorderingsaanslagen en vergrijpboeten zijn terecht opgelegd, maar de boetes worden gematigd wegens overschrijding redelijke termijn.