Belanghebbende en zijn echtgenote deden aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2013 en 2014 waarbij de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen volledig aan belanghebbende werd toegerekend. De Inspecteur legde aanslagen op die onherroepelijk zijn geworden nadat bezwaar te laat werd ingediend. Belanghebbende verzocht later om ambtshalve vermindering en wijziging van de onderlinge verdeling van de gezamenlijke grondslag, maar deze verzoeken werden afgewezen omdat de aanslagen onherroepelijk vaststaan.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en het hof bevestigt deze uitspraak. Het hof overweegt dat volgens artikel 2.17 lid 4 Wet IB 2001 de onderlinge verhouding tot het moment van onherroepelijkheid kan worden gewijzigd, maar niet daarna. Ook het indienen van een verzoek tot ambtshalve vermindering op grond van artikel 9.6 Wet IB 2001 herroept de onherroepelijkheid niet.
Het hof concludeert dat de Inspecteur terecht het verzoek tot wijziging van de onderlinge verhouding heeft afgewezen. Wel werden latere verzoeken tot ambtshalve vermindering op basis van nieuwe schuldgegevens ingewilligd, maar daartegen staan geen rechtsmiddelen open. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en proceskosten worden niet toegewezen.