Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 26 juni 2019 en alle daarin genoemde processtukken;
- het proces-verbaal van comparitie van 21 november 2019 waarvan deel uitmaakt de pleitnota van mr. Timmer;
- de van de zijde van [eiser] ter comparitie genomen akte houdende overlegging producties 13 tot en met 16;
- de van de zijde van [eiser] ter comparitie genomen akte houdende overlegging producties 17 tot en met 19;
- de antwoordakte van de zijde van de Congregatie.
2.De feiten
Ons gevoel van medeleven gaat op de eerste plaats uit naar de slachtoffers, mensen die jarenlang een afschuwelijke ervaring hebben meegedragen en daar vaak nu nog onder moeten lijden. (…) Ons past ook het concreet proberen nog iets te doen ter ondersteuning, op welke wijze dan ook, in overleg met de slachtoffers. (…) Wij begrijpen hun verzet tegen het begrip “verjaring”; in onze opstelling beroepen wij ons ook niet op “verjaring””;
“Kon betrokkene om psychische (of andere) redenen als slachtoffer in zijn geheel geen vordering tot schadevergoeding instellen? Meer concreet: kon betrokkene in dat geval voor het verstrijken van de termijn geen rechtsvordering instellen omdat de schade er nog niet was (door psychische, of andere redenen) en nadat de schade zichtbaar was ook niet, omdat op dat moment de vordering tot schadevergoeding was verjaard (door het verstrijken van de geldende verjaringstermijn(en).”
Met betrekking tot de absolute verjaringstermijn (1992) kan gesteld worden dat in deze periode de problematiek van betrokkene inzake de posttraumatische stressklachten door betrokkene effectief werd toegedekt door zich met name zich sterk te maken in allerlei procedures die aangespannen zijn door hem. Wel was toen al duidelijk enige persoonlijkheidsproblematiek aan de orde welke enerzijds zeker gerelateerd kan worden aan de traumatisering die had plaatsgevonden, maar ook aan de affectieve verwaarlozing door het missen van het ouderlijk milieu en een normale opvoedingssituatie. (…)
3.Het geschil
4.De beoordeling
.Dat wil zeggen dat, hoezeer dit ook moeilijk is te aanvaarden uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van degene die schade heeft geleden, het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij meebrengen dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden. Dit wil evenwel niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van art. 6:2 lid 2 BW Pro buiten toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die deze regel beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in die bepaling bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn.
922,00(2 punt × tarief € 461,00)