ECLI:NL:RBZWB:2020:5524
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering WAO-uitkering wegens samenloop met ondernemersinkomen
Eiser ontving sinds 1990 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100% en had daarnaast inkomsten uit werk als ondernemer. Het UWV stelde vast dat eiser een te hoge uitkering ontving omdat zijn inkomen uit onderneming, inclusief ondernemersaftrek, leidde tot een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse. Daarom werd een bedrag van €7.837,80 teruggevorderd.
Eiser voerde aan dat de ondernemersaftrek over voorgaande jaren buiten beschouwing had moeten blijven en dat het maatmaninkomen en de uurloonvergelijking onjuist waren berekend. De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht de fiscale keuzes van eiser als uitgangspunt nam en dat de gehanteerde methode voor het bepalen van het maatmanloon en de uurloonvergelijking juist was toegepast, waarbij ook rekening was gehouden met de urenomvang.
Het beroep werd ongegrond verklaard omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat bijzondere omstandigheden aanwezig waren die een afwijking van de vaste jurisprudentie rechtvaardigen. Ook werd vastgesteld dat het UWV terecht geen afzien van terugvordering toepaste, aangezien geen dringende redenen waren aangetoond. De rechtbank bevestigde daarmee de terugvordering en de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage van 66,50%.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de terugvordering van de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard.