ECLI:NL:RBZWB:2020:6512
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugshandel
Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester om zijn woning voor zes maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet wegens aanwezigheid van 3.730 gram amfetamine en middelen voor drugshandel. De voorzieningenrechter nam het spoedeisend belang van verzoeker in verband met zijn kwetsbare gezondheid en coronasituatie aan, maar oordeelde dat de burgemeester bevoegd was en terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid.
De burgemeester mocht aannemen dat de drugs bestemd waren voor handel, gelet op de hoeveelheid en de aanwezigheid van productie- en verpakkingsmiddelen. Hoewel verzoeker werd vrijgesproken in de strafzaak wegens gebrek aan bewijs van wetenschap, achtte de voorzieningenrechter dat bestuursrechtelijk verwijtbaarheid niet gelijk is aan strafrechtelijke bewijslast en dat verzoeker verantwoordelijk was voor wat er in zijn woning gebeurde.
De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het algemene belang bij handhaving en sluiting van de woning zwaarder woog dan het belang van verzoeker bij ongestoord woongenot. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een onevenredig nadeel voor verzoeker opleverden. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen.