Uitspraak
1.STICHTING GGZ BREBURG GROEP,
A. VAN DAM,
- verzoeker en zijn advocaat;
- de zorgaanbieder;
- de psychiater;
- de geneesheer-directeur van GGz Breburg, mw. K. van den Berg.
1.Het procesverloop
- de beschikking van deze rechtbank van 21 april 2020 met kenmerk C/02/371195 / FA RK 20/1947;
- het verzoekschrift ex artikel 10:7 lid 1 Wvggz Pro en artikel 10:11 lid Pro 2, bij de griffie van deze rechtbank ontvangen op 28 mei 2020, met bijlagen;
- het verweerschrift van de psychiater, bij de griffie van deze rechtbank ontvangen op 3 juni 2020;
- het verweerschrift van de zijde van de zorgaanbieder en de psychiater met één productie, bij de griffie van deze rechtbank ontvangen op 11 juni 2020;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 18 juni 2020;
- de beschikking van deze rechtbank van 25 juni 2020 met kenmerk C/02/372778 / FA RK 20/2799;
- de beschikking van deze rechtbank van 29 oktober 2020 met kenmerk C/02/377936 / FA RK 20/5465;
- de conclusie van de Advocaat-Generaal mr. M.L.C.C. Lückers van 11 november 20201;
- de beschikking van de Hoge Raad van 18 december 20202;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 25 januari 2021.
- de advocaat van betrokkene, mr. A.P.G.M. Schreurs;
- de psychiater, mw. A. van Dam;
- de geneesheer-directeur, mw. K. van den Berg.
2.De feiten
In een dagrapport van 1 mei 2020 heeft de zorgverantwoordelijke psychiater onder meer het volgende vermeld:
De psychiater heeft op die datum ondanks het verzet van betrokkene een beslissing genomen tot het toedienen van medicatie in de vorm van een depot. Deze beslissing is op 4 mei 2020 door de geneesheer-directeur schriftelijk aan betrokkene meegedeeld.
Betrokkene heeft tegen deze beslissing op de voet van art. 10:3, aanhef en onder f, Wvggz bij de klachtencommissie een klacht ingediend. Die klacht houdt, naar de rechtbank in rov. 4.2 van haar beschikking heeft vastgesteld, onder meer in dat de psychiater niet had mogen overgaan tot verplichte toediening van medicatie, omdat betrokkene wilsbekwaam was en zich daartegen had verzet, en in dit geval geen sprake was van een acuut levensgevaar voor hemzelf dan wel ernstig nadeel voor een
De klachtencommissie heeft de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.”
3.Het verzoek
4.De standpunten
5.De beoordeling
“Als er gesproken wordt over medicatie is patiënt in staat deze informatie te begrijpen. Hij is in staat een navoelbare afweging te maken. Hij is dan ook wilsbekwaam in zijn wens geen depot te willen krijgen.”