Eiseres, werkzaam als officemanager, viel uit wegens fibromyalgie en artrose en ontving vanaf november 2018 een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 19 december 2019 na een eerstejaarsbeoordeling, waarop eiseres bezwaar maakte. De rechtbank beoordeelde of het UWV terecht de uitkering beëindigde.
Medische rapportages van verzekeringsartsen concludeerden dat eiseres niet geschikt is voor haar eigen werk maar wel in staat is om ander passend werk te verrichten zonder zware fysieke belasting of stress. Eiseres voerde aan dat haar beperkingen werden onderschat, onder meer vanwege polyartrose en colitis ulcerosa, en verzocht om een onafhankelijke verzekeringsarts. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de extra beperkingen niet objectief waren vastgesteld.
Een arbeidsdeskundige stelde dat functies als productiemedewerker en wikkelaar passend zijn, ondanks de door eiseres aangevoerde bezwaren over deadlines en handbelasting. De rechtbank vond de functies medisch passend en de berekening van de arbeidsongeschiktheid correct. Omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is het recht op Ziektewetuitkering vervallen en verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond.