Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2021 in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de minister.
Procesverloop
.
Overwegingen
1. Feiten
2. Bestreden besluit
3. Beroepsgronden
4. Wettelijk kader
5. Beoordeling
eindvoorraad rundveedrijfmest (mestcode 14) ten onrechte is uitgegaan van de gemiddelde stikstof- en fosfaatgehaltes van de over het gehele jaar 2015 afgevoerde bemonsterde drijfmest. De drijfmest aanwezig aan het begin 2015 is niet representatief voor de drijfmest aanwezig aan het eind van dat jaar. De in maart en augustus 2015 bemonsterde en afgevoerde drijfmest kunnen daarom niet de best beschikbare gegevens opleveren, maar er moet voor de eindvoorraad 2015 worden aangesloten bij de gemiddelde stikstof- en fosfaatgehaltes van de in mei 2016 afgevoerde drijfmest. Uit artikel 94, tweede lid, van de Regeling, volgt bovendien niet dat geen gemiddelden van geanalyseerde gehaltes van afgevoerde vrachten drijfmest van latere datum gebruikt mogen worden. Uit het bestreden besluit volgt ook niet waarom het niet mogelijk is om bij de berekening van de
beginvoorraad drijfmest in 2015 uit te gaan van de forfaitaire fosfaat- en stikstof gehaltes.